
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
donshūno-uo・呑舟の魚
zn. groote visch m. ¶ 呑舟の魚を逃がす groote visschen ontsnappen aan het net (kleine dieven worden gepakt, groote laat men loopen).
wazuka・僅
zn. kleine hoeveelheid v.; weinig o.; beetje o.; geringe graad m. ¶ 僅の weinig; onbeduidend; gering. ¶ 僅に slechts; alleen maar; niet meer dan. ¶ 僅な傷 lichte wond. ¶ 僅な事 onbeduidende zaak. ¶ 僅三年の內に in den korten tijd van drie jaar; in slechts drie jaren tijds. ¶ 僅に免る ternauwernood ontsnappen. ¶ 僅十箇しかない er zijn er maar tien. ¶ 僅だが君に上げよう hier is een kleinigheid voor je.
uchimorasu・討洩らす
t.w. laten ontsnappen; i.w. niet erin slagen om te dooden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ontsnappen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ずらかる zurakaru [slang] 'm smeren; wegwezen; zich uit de voeten maken; maken dat je wegkomt; de benen nemen; vluchten; ontvluchten; op de vlucht slaan; weglopen; ervandoor gaan; ontsnappen; ontkomen; ertussenuit knijpen; z'n biezen pakken; 'm pleiten; pleite gaan
ばれる bareru (1) aan het licht komen; uitkomen; ontdekt; bekend worden; door de mand vallen; betrapt worden; (2) [hengelsp.] van de haak ontglippen; ontsnappen; (3) [約束事が] verbroken worden; afspringen; mislukken; (4) [話が] vulgair worden; op de platte toer gaan
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
抜ける;脱ける nukeru (1) doorsteken; [de doelman enz.] passeren; [een tunnel enz.] doorgaan; doortrekken; lopen door; [i.h.b.] doorboren; (2) [van haar;tanden] uitvallen; losgaan; losraken; loslaten; (3) aflaten; wijken; [m.n. van kracht;fut;pit] eruit gaan; het laten afweten; begeven; [fig.] verschalen; kwijtraken; (4) [ergens] uitraken; ertussenuit komen; ontkomen; wegkomen; ontlopen; ontsnappen; ontschieten; ontgaan; ontglippen; [m.n. een genootschap;wedstrijd;computerprogramma enz.] verlaten; zich terugtrekken; eruit gaan; ervandoor gaan; er tussenuit kletsen; (5) missen; ontbreken; wegvallen; mankeren; (6) wat mankeren; niet goed wijs zijn; niet goed bij zijn verstand zijn; (7) [van vesting;stad enz.] vallen
抜け出す nukedasu (1) naar buiten glippen; stilletjes verdwijnen; stiekem verlaten; zich onttrekken aan; [動物が] uitbreken; ontsnappen; (2) beginnen uit te vallen; beginnen los te laten
流れ出す nagaredasu (1) uitstromen; naar buiten stromen; uitvloeien; uitstorten; uitlopen; afvloeien; zich uitstorten; ontsnappen; (2) beginnen te stromen; beginnen te vloeien; beginnen te lopen
流れ出る nagarederu uitstromen; naar buiten stromen; uitvloeien; uitstorten; uitlopen; afvloeien; zich uitstorten; ontsnappen
流出する ryuushutsusuru uitstromen; naar buiten stromen; uitvloeien; uitstorten; uitlopen; afvloeien; zich uitstorten; ontsnappen
漏る;洩る;泄る moru lekken; doorlekken; ontsnappen
脱出する dasshutsusuru (1) ontsnappen; ontkomen; ontvluchten; ontvlieden; (2) [geneesk.] verzakken; een prolaps vertonen; [小腸が] uitpuilen
脱走する dassousuru (1) vluchten; op de vlucht gaan; ontsnappen; wegrennen; weglopen; op de loop gaan; z'n biezen pakken; de benen nemen; zich uit de voeten maken; ertussenuit knijpen; ervandoor gaan; 'm smeren; decamperen; (2) [mil.] deserteren
解脱する kaidatsusuru (1) ontsnappen; (2) vrijlaten; vrijmaken; bevrijden
逃げる nigeru (1) vluchten; weglopen; wegvluchten; wegvliegen; wegrennen; ervandoor gaan; op de loop gaan; op de vlucht slaan; wegwezen; het op een lopen zetten; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [fig.] deserteren; [fig.] afbrassen; [lit.t.] vlieden; [uitdr.] de benen nemen; [uitdr.] benen maken; [uitdr.] zich uit de voeten maken; [uitdr.] 'm smeren; [uitdr.] 'm piepen; [uitdr.] het hazenpad kiezen; [uitdr.] zijn hielen laten zien; [uitdr.] de hielen lichten; [uitdr.] de plaat poetsen; [uitdr.;inform.] de kuierlatten nemen; [uitdr.;volkst.] van de wiek gaan; [uitdr.;volkst.] riedel nemen; (2) ontsnappen; ontkomen; wegkomen; ontglippen; ontvluchten; uitraken; (3) ontlopen; uit de weg gaan; ontwijken; zich onttrekken aan; [uitdr.] de ruimte kiezen; [lit.t.] ontvlieden; ervan afkomen; vermijden
逃げ延びる nigenobiru veilig wegkomen; er heelhuids van afkomen; zich in veiligheid brengen; slagen in een ontsnapping; erin slagen te ontsnappen; ervandoor gaan; veilig ontkomen; ontsnappen
逃走する tousousuru vluchten; ontsnappen; ervandoor gaan; weglopen; wegvluchten; ontvluchten; ontvlieden
高飛びする takatobisuru op de vlucht gaan; slaan; vluchten; ontvluchten; ontsnappen
Tijd: 1.41 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'ontsnappen').
2005-2026
