
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kaeru・歸る
(帰る(F)、還る、還る、復る) i.w. (1) [戾る] terugkeeren; thuiskomen; naar huis gaan. (2) [去る] heengaan; weggaan. (3) [反射] terugkaatsten. ¶ 元の位置に復る in den vorigen staat terugkeeren. ¶ 歸らぬ旅 de laatste reize; uitvaart. ¶ お歸り遊ばせ welkom thuis. ¶ 子供の復りたいものですなあ wat zou ik graag weer een kind zijn! ¶ 覆水盆に還らず gedane zaken nemen geen keer; wat gebeurd is, is gebeurd.
SUPPLEMENT (trefwoord)
seikai・正解
(znw) (1) het juiste antwoord; de juiste verklaring [interpretatie]; correct; juist; goed. ¶ 正解をまるで囲みなさい。 Seikai wo maru de kakominasai. Omcirkel het juiste antwoord alsjeblieft. (TTC) ¶ そっか!!それが正解だよね Sokka! Sore ga seika da yo ne! Ja toch! Zo is het toch! (twitter) (2) (als evaluatie achteraf) de juiste beslissing; de juiste keuze. ¶ 雨がどんどんひどくなっていく。今日は出かけなくて正解だった。 Ame ga dondon hidoku natte iku. Kyō wa dekakenakute seikai datta. De regen wordt steeds erger. Ik ben blij dat we niet weg zijn gegaan. (yamasv)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <weggaan>
お暇する oitomasuru (1) gedag zeggen; vaarwelzeggen; weggaan; afscheid nemen; vertrekken; ervandoor gaan; (2) z'n ontslag nemen; z'n baan opgeven; uittreden; uit dienst treden
出て行く deteiku (1) weggaan; vertrekken; heengaan; ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; opkrassen; 'm smeren; [veroud.] zich wegpakken; (2) zijn entree maken; verschijnen; opdagen; te voorschijn komen
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
出掛ける dekakeru (1) uitgaan; naar buiten gaan; van [huis enz.] gaan; verlaten; weggaan; (2) vertrekken naar; op weg gaan naar; zich op weg begeven naar; afreizen; wegreizen; erop uit gaan; trekken; ervandoor gaan; (3) op bezoek komen; komen opzoeken
別れる wakareru scheiden van; achterlaten; verlaten; weggaan; [van zijn;haar echtgenoot;echtgenote] afgaan; uiteengaan; heengaan; afscheid nemen; [fig.] goedendagzeggen
取れる toreru (1) losgaan; loskomen; loslaten; losraken; [m.b.t. vlekken] er uitgaan; [m.b.t. gewenning e.d.] afraken van; eraf gaan; er afgaan; (2) [m.b.t. koorts;pijn;spanning] wijken; overgaan; weggaan; (3) [m.b.t. geld;loon;vrijaf] kunnen krijgen; kunnen verdienen; kunnen vangen; kunnen opstrijken; te innen zijn; beuren; kunnen behalen; kunnen loskrijgen; [m.b.t. polsslag] kunnen opnemen; (4) kunnen opvatten; kunnen opnemen; geïnterpreteerd kunnen worden; (5) [in zijn hand enz.] kunnen houden; kunnen pakken; kunnen nemen; (6) [m.b.t. vis;wild enz.] kunnen vangen; te vangen zijn; kunnen buitmaken; in de wacht kunnen slepen; kunnen bemachtigen
失礼する shitsureisuru (1) onbeleefd zijn; ongemanierd zijn; lomp zijn; grof zijn; onhoffelijk zijn; onwellevend zijn; (2) afscheid nemen; gedag; vaarwel; goedendag; adieu zeggen; vertrekken; weggaan
引き取る hikitoru (1) terugnemen; (terug) overnemen; (2) vorderen; opvorderen; terugvorderen; terugeisen; reclameren; aanspraak maken op; claimen; opvragen; (3) zich belasten met; verantwoordelijkheid opnemen voor; onder z'n hoede nemen; zorgen voor; instaan voor; [話を] beantwoorden; antwoorden op; (4) [息を] sterven; z'n laatste adem(tocht) uitblazen; de laatste snik geven; de geest geven; (5) weggaan; zich terugtrekken; zich verwijderen; heengaan; verlaten; vertrekken; (6) [mil.] zich terugtrekken; aftrekken; de aftocht blazen; afrukken
暇を告げる itomaotsugeru gedag zeggen; vaarwelzeggen; weggaan; afscheid nemen
止む;已む;罷む yamu ophouden; tot een eind komen; stoppen; ten einde lopen; aflopen; er komt een einde aan ~; het loopt af met ~; [m.b.t. vuur] uitgaan; [m.b.t. wind] luwen; gaan liggen; [m.b.t. klanken] wegsterven; wegvallen; [m.b.t. pijn] overgaan; weggaan; over zijn; een einde vinden
消え去る kiesaru weggaan; verdwijnen; vervagen; wegzakken; wegvallen; wegsterven; uitsterven; [希望が] vervliegen; [Belg.N.] wegdeemsteren
無くなる nakunaru verdwijnen; zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; [form.] teloorgaan; blijven; weggaan; wijken; [van lust;zin e.d.] vergaan; [van moed;hoop enz.] ontvallen; tenietgaan; kwijtraken; opraken; zonder (~) komen te zitten; opgaan; ophouden (te bestaan); wegsterven; versterven; ter ziele gaan; overgaan; eindigen; komen te vervallen; [veroud.;lit.t.] verzwinden
立ち出づ tachīzu (1) vertrekken; weggaan; opstappen; eropuit gaan; trekken; naar buiten komen; (2) langskomen; bezoeken; aankomen; arriveren; (3) zich mengen in; zich bemoeien met; (4) verschijnen; voor de dag komen; opduiken; zich vertonen; tevoorschijn komen; komen opdagen
立ち去る tachisaru weggaan; heengaan; verlaten; vertrekken; zich wegpakken
罷る makaru (1) uit de hoofdstad naar de provincie vertrekken; (2) zich verwijderen; zich weg begeven; (3) [hum.] heengaan; weggaan; uit het leven scheiden; [arch.] verscheiden; (4) [hum.] gaan; komen; (5) [voorvoegsel dat nederigheid;beleefdheidsvorm uitdrukt]; (6) [intensiverend voorvoegsel]
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
辞す jisu (1) weigeren; afslaan; van de hand wijzen; afwijzen; (2) ontslag nemen; afstand doen; aftreden; ontslag nemen; bedanken; z'n conclusies trekken; opstappen; het veld ruimen; uittreden; resigneren; [arch.] demitteren; (3) groeten; begroeten; goedendag zeggen; toespreken; (4) afscheid nemen; weggaan; verlaten; terugtreden; zich terugtrekken
退出する taishutsusuru verlaten; weggaan; vertrekken uit; heengaan van; zich weg begeven van; zich verwijderen van; zich terugtrekken uit; zich retireren; terugwijken
退去する taikyosuru vertrekken; weggaan; heengaan; verlaten; ontruimen; evacueren; uitwijken; wegtrekken; zich terugtrekken
Tijd: 1.55 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'weggaan').
2005-2026
