日蘭辭典+

20 resultaten voor ‘uitgaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
yasaki矢先
zn. pijlpunt v. (間際) oogenblik o.; punt o. ¶ 外出しようとする矢先へが來た juist toen ik op het punt stond om uit te gaan kwam er bezoek.
kusuburu燻る

i.w. (1) [火が] smeulen; rooken. (2) [家に] thuis zitten; nooit eens uitgaan.

zentei前提

zn. premisse v.; veronderstelling v.; onderstelling v. ¶ 誤った前提で推論する van een onjuiste veronderstelling uitgaan.

yoso餘所

(余所) zn. andere plaats v.; bw. elders; ergens anders. ¶ 餘所の van elders; ander. ¶ 餘所から van elders. ¶ 餘所へ行く ergens heengaan; uitgaan; weggaan. ¶ 餘所に見る zich er niets van aantrekken. ¶ 業務を餘所にする zijn werk niet doen; zijn plicht verzuimen.

yoi好い

bn. (1) [善良] goed. (2) [より良い] beter. (3) [美なる] mooi; fraai. (4) [好ましい] lief; aangenaam; prettig. (5) [十分] voldoende. (6) [正しい] juist; oprecht. (7) [許可] geoorloofd. i.w. (8) [構はぬ] komt er niet op aan; doet er niet toe; laat maar. ¶ 好い天氣 mooi weer. ¶ 胃によい goed voor de maag. ¶ しなくてもよい niet noodig om te doen; onnoodig. ¶ よい樣にする doen als men wil; eigen zin volgen. ¶ 外出してもよいか mag ik uitgaan? ¶ 今日來ればよいが ik hoop maar, dat hij vandaag komt. ¶ 君と一緒に行つてもよい ik heb er geen bezwaar tegen met je mee te gaan.

yoasobi夜遊

zn. avondvermaak o.; nachtelijke amusementen o.mv. ¶ 夜遊する er 's avonds op uitgaan om zich te amuseeren.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitgaan>
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
出掛ける dekakeru (1) uitgaan; naar buiten gaan; van [huis enz.] gaan; verlaten; weggaan; (2) vertrekken naar; op weg gaan naar; zich op weg begeven naar; afreizen; wegreizen; erop uit gaan; trekken; ervandoor gaan; (3) op bezoek komen; komen opzoeken
shutsu (1) aanwezigheid; (2) vertrek; verlating; (3) afstammeling; [fig.] zoon; (4) ontsnapping; (5) [bijb.] Exodus; [Hebr.] Sjemot; [afk.] Exod.; [afk.] Ex.; (6) opdringerig; bemoeiziek; vrijpostig; brutaal; (a) uitgaan; eruit gaan; (b) gaan naar; (c) verschijnen; (d) uitblinken; uitmunten; (e) zich voordoen; gebeuren; (f) uitbrengen; naar buiten brengen; (g) betalen; (h) doen verschijnen; laten zien; (i) voortbrengen; (j) oorsprong; herkomst
外れる hazureru (1) loskomen; losraken; losgaan; [onoverg.] loslaten; uit [het lid;de hengsels;de rails enz.] raken; afkomen; afraken (van); afvallen; verlaten; [de stad enz.] uitgaan; (2) erbuiten vallen; ernaast zitten; het mis hebben; niet in [het bestek;de prijzen enz.] vallen; missen; in [zijn verwachting enz.] bedrogen uitkomen; teleurgesteld worden; (3) afwijken van; afdwalen van; afdrijven; ingaan tegen; in strijd zijn met
外出する gaishutsusuru naar buiten gaan; uitgaan
引ける;退ける hikeru (1) [van school;kerk enz.] uitgaan; verlaten worden; [van bedrijf] dichtgaan; sluiten; (2) verlegen worden; zich niet op z'n gemak gaan voelen; plankenkoorts krijgen; zich gegeneerd voelen; de moed verliezen; zich opgelaten voelen; (3) [wat van de prijs] kunnen afdoen; korting kunnen geven; in mindering kunnen brengen; kunnen afnemen; kunnen verlagen; kunnen reduceren
止む;已む;罷む yamu ophouden; tot een eind komen; stoppen; ten einde lopen; aflopen; er komt een einde aan ~; het loopt af met ~; [m.b.t. vuur] uitgaan; [m.b.t. wind] luwen; gaan liggen; [m.b.t. klanken] wegsterven; wegvallen; [m.b.t. pijn] overgaan; weggaan; over zijn; een einde vinden
洒落る shareru (1) zich deftig; piekfijn; chic kleden; zich opkleden; zich mooi uitdossen; aankleden; zich mooi maken; zich optooien; zich opdoffen; (2) stijlvol zijn; tot in de puntjes verzorgd zijn; verfijnd zijn; modieus zijn; (3) grappen; geintjes maken; moppen tappen; geestigheden debiteren; gekscheren; schertsen; woordspelingen maken; met woorden spelen; (4) iets leuks doen; leuke dingen doen; uitgaan; plezier maken
流れる nagareru (1) stromen; vloeien; lopen; [form.] vlieten; biggelen [van tranen]; (2) wegspoelen; (door het water) meegevoerd worden; meedrijven; vlotten; (3) voorbijstromen; voorbijtrekken [b.v. van wolken]; kruien; overgaan; (4) circuleren [b.v. van praatjes]; rondgaan; (5) verstrijken [m.n. van tijd]; voorbijgaan; verglijden; verlopen; omgaan; [form.] vlieden; [form.] vervlieden; (6) zwalken; zwerven; dwalen; dolen; afdwalen; afwijken (van de juiste richting enz.); zich verlopen [in de wijn enz.]; zich [aan een ondeugd enz.] overleveren; [de verkeerde richting] uitgaan; (7) vervallen [m.n. van pandgoed]; verlopen; verbeurdverklaard worden; (8) [fig.] in het water vallen; afgelast worden; afgeblazen worden; niet doorgaan; (9) [van onvoldragen vrucht] ontijdig geboren worden; afdrijven
消える kieru (1) [火が] uitgaan; doven; uitdoven; uitpieteren; verglimmen; [lit.t.] verblinken; [veroud.] uitblaken; [w.g.] verdoven; (2) [雪が] smelten; wegsmelten; dooien; (3) verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; [fig.] in rook; damp opgaan; [fig.] verdampen; zich oplossen; vervagen; verijlen; [雲が] wegdrijven; [痛みが] wijken; geleidelijk minder worden; minderen; slijten; [望みが] vervliegen; [音が] wegsterven; versterven; [veroud.] verklinken; [gew.] verhelmen; [泡が] uiteenspatten; (4) uitsterven; ophouden te bestaan; [噂が] overwaaien; voorbijgaan; [鉱脈が] uitgeput raken; (5) wegslijten; afslijten; uitslijten
立消えする tachigiesuru uitgaan; uitdoven; doven; wegsterven
跳ねる haneru (1) springen; opspringen; wippen; huppen; hippen; stuiten; opstuiten; (2) spatten; opspatten; spetten; spetteren; (3) [ton.] aflopen; sluiten; eindigen; uitgaan; voorbij zijn; (4) [markt;koers] omhoogspringen; plots stijgen; de hoogte ingaan; omhoogschieten; (5) spatten; laten spatten; bespatten; doen opspatten
遊び歩く asobiaruku boemelen; uitgaan; stappen
遊ぶ asobu (1) spelen; zich vermaken; pret maken; plezier maken; zich amuseren; zich bezighouden; (2) niets uitvoeren; nietsdoen; niksen; niets te doen hebben; er z'n gemak van nemen; z'n tijd verdoen; werkeloos blijven; luieren; rondhangen; lummelen; lanterfanten; [gew.] wepele armen hebben; (3) werkloos zijn; inactief zijn; (4) het ervan nemen; de bloemetjes buitenzetten; fuiven; uitgaan; stappen; cafés bezoeken; aan de boemel gaan; boemelen; aan de zwier gaan; pierewaaien; zwierbollen; (5) [土地が] braak liggen; [機械が] ongebruikt liggen; onbenut blijven; stilliggen; buiten bedrijf zijn; buiten werking zijn; sluimeren; [手が] niets omhanden hebben; [資本が] slapen; renteloos liggen; op stok liggen; (6) […に~] reizen; een tocht maken; een uitstapje maken; een bezoek afleggen; (7) […に~] studeren; (8) [honkb.] opzettelijk wijd gooien; (9) een spel drijven; sollen; dollen; gekscheren; de draak steken met; (10) verzen maken; muziek maken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.3 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'uitgaan'). 
2005-2026