
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
itadaku・戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
ukeireru・受入れる
(受け入れる) t.w. aanvaarden.
yukitatsu・行立つ
i.w. op weg gaan; reis aanvaarden.
waribiki・割引
zn. reductie v.; korting v.; disconto o.; aftrek m. ¶ 割引を與へる korting verleenen. ¶ 二割引 20% korting. ¶ 割引値段 verlaagde prijzen. ¶ 割引する korting geven; reductie geven. ¶ 銀行割引 bankdisconto. ¶ 割引旅行 goedkoope excursie. ¶ 割引歩合 disconto. ¶ 割引時間 uren, waarop de tramvracht lager is. ¶ 割引手形 gedisconteerde wissel. ¶ 割引して聞く onder reserve aanvaarden; niet alles gelooven, wat men vertelt.
tsuku・卽く
(即く) t.w. bestijgen; aanvaarden. ¶ 位に卽く den troon bestijgen.
tsukikaesu・突返す
(突き返す) t.w. terugstooten; terugduwen; niet aanvaarden; niet willen aannemen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aanvaarden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
了承する ryoushousuru (1) begrip hebben voor; erkennen; accepteren; aanvaarden; instemmen; toestemmen; goedkeuren; permitteren; (2) nota nemen van
享 kyou aanvaarden; in bezit nemen
入れる ireru (1) plaatsen in; indoen; inzetten in; inbrengen in; (2) inschenken; ingieten; bijgieten; (3) toevoegen; bijvoegen; invoegen; (4) binnenlaten; laten binnenkomen; (5) [iemand;bv. patiënt;student;gast etc.] toelaten; onder zijn hoede nemen; (6) kunnen bevatten; plaats hebben voor; groot genoeg zijn voor; ruim genoeg zijn voor [een bepaald aantal personen]; (7) aanwerven; aanbrengen; in dienst nemen; ronselen; rekruteren; (8) luisteren naar [een advies;verzoek;visie van iemand anders etc.]; gehoor geven aan; (9) tolereren; dulden; aanvaarden; begrip hebben voor; begrijpen; pikken; (10) samengaan; kunnen samengaan; verenigbaar zijn; compatibel zijn; consistent zijn; (11) meerekenen; meetellen; incalculeren; inbegrepen zijn; (12) [茶;こーひーを] maken; zetten; (13) [すいっちを] aanswitchen; aansteken; aandraaien; aanzetten; aandoen; aanknippen; in werking stellen; zetten; inschakelen
入居する nyuukyosuru betrekken; z'n intrek nemen in; gaan wonen in; intrekken in; in een huis trekken; aanvaarden
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek;ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
受け付ける uketsukeru (1) [een aanvraag;verzoek;petitie] aannemen; in ontvangst nemen; (2) aanvaarden
受け入れる;受け容れる ukeireru (1) ontvangen; toelaten; opnemen; aannemen; aanvaarden; accepteren; (2) inwilligen; toestaan; instemmen met; ingaan op; tegemoetkomen; verhoren; (3) opvangen; onthalen; binnenlaten; toegang geven
受容する juyousuru aanvaarden; aannemen; accepteren; opnemen; onthalen; ontvangen
受理する jurisuru aanvaarden; accepteren; aannemen; kennis nemen van
受諾する judakusuru (1) aanvaarden; aannemen; accepteren; (2) instemmen met; inwilligen; goedkeuren
受領する juryousuru ontvangen; in ontvangst nemen; aannemen; aanvaarden; accepteren
可とする katosuru goedkeuren; goedvinden; billijken; instemmen met; aanvaarden; voorstemmen; ja-stemmen
呑む nomu (1) [fig.] slikken; nemen; pikken; accepteren; aanvaarden; [i.c.m. ontkenning] pruimen; incasseren; [fig.] verduwen; [inform.;fig.] vreten; (2) overweldigen; overdonderen; inpakken; [fig.;sportt.] inblikken; [fig.] inmaken; [fig.;sportt.] afdrogen; (3) bedwingen; onderdrukken; [m.b.t. tranen] inslikken; inhouden; smoren; (4) verborgen houden; verhelen; achterhouden
容れる ireru aanvaarden; luisteren naar; gehoor geven aan; instemmen met; toestemmen in; inwilligen
容認する youninsuru (1) goedkeuren; goedvinden; toestemmen in; akkoord gaan met; toelaten; (2) toegeven; erkennen; aanvaarden
容 you (a) inbrengen; (b) inhoud; (c) vorm; uiterlijk; (d) verhoren; aanvaarden; vergeven; (e) innerlijke rust; (f) eenvoudig
帰依する kiesuru gelovige worden; overgaan tot; zich bekeren tot; aannemen; aanvaarden; zich aansluiten bij; omhelzen; gaan aanhangen
引き受ける;引受ける;引き請ける;引請ける hikiukeru (1) op zich nemen; aannemen; overnemen; ondernemen; ter hand nemen; aanvaarden; accepteren; voor zijn rekening nemen; tekenen voor; zich verplichten tot; zich belasten met; [i.h.b.] zorgen voor; (2) instaan voor; garanderen; waarborgen; borg staan voor
応じる oujiru (1) antwoorden; antwoord geven; ten antwoord geven; (2) [m.b.t. handeling;situatie etc.] beantwoorden; reageren op; weerwerk geven; (3) toestemmen; instemmen; akkoord gaan; aanvaarden; honoreren; inwilligen; toestaan; aannemen; consenteren; het groene licht geven voor; (4) solliciteren; zich inschrijven; zich opgeven; zich aanmelden; [w.g.] appliceren; (5) vervullen; voldoen aan; voldoende zijn; tevreden stellen; bevredigen
応諾する oudakusuru toestemmen; toestemming geven; toestaan; akkoord gaan; instemmen; goedkeuren; inwilligen; honoreren; aanvaarden
手に入れる teniireru (1) in handen krijgen; zich toe-eigenen; tot zijn eigendom maken; in bezit nemen; aannemen; aanvaarden; verwerven; bekomen; behalen; [i.h.b.] op de kop tikken; (2) naar z'n hand zetten; stellen; om de vinger winden; (als een marionet) bespelen
承諾する shoudakusuru toestemmen; toestaan; goedkeuren; instemmen met; inwilligen; aanvaarden
是認する zeninsuru erkennen; aannemen; aanvaarden; accepteren; voor lief nemen; zich laten welgevallen; billijken; affirmeren; beamen; bekrachtigen
着手する chakushusuru ter hand nemen; een begin; aanvang maken (met); aan de slag; gang gaan met; beginnen aan; met; tijgen aan; starten (met); gaan doen aan; entameren; van start gaan met; van wal steken met; aanvatten; aanvangen; aanpakken; aanvaarden; aansnijden
納める osameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
納得する nattokusuru (1) instemmen (met); toestemmen (in); aanvaarden; aannemen; accepteren; goedvinden; [veroud.] bewilligen; zich laten welgevallen; (2) verstaan; begrijpen; genoegen nemen met
納 nou (a) aan de overheid afdragen; contribueren; (b) opbergen; bewaren; (c) ontvangen; aanvaarden; (d) beëindigen
許す;赦す;聴す yurusu (1) door de vingers zien; dulden; vergeven; niet kwalijk nemen; pardonneren; verontschuldigen; (2) toelaten; vergunnen; erkennen; aanvaarden; toestaan; toestemming geven voor; verlenen; veroorloven; toestemmen in; inwilligen; verhoren; (3) [zijn aandacht] verslappen; zwichten voor; zich geven aan; [de tegenstander een winstpunt] gunnen; [iemand zijn vertrouwen] schenken; (4) erkennen [als uitmuntend]; accrediteren als
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; bekrachtigen; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
負う ou (1) op de rug nemen; tillen; dragen; torsen; (2) [責任を] zich belasten met; aanvaarden; dragen; op zich laden; nemen; zich aansprakelijk stellen; (3) [恩人に] schuldig; verplicht; verschuldigd; schuldplichtig zijn; in het krijt staan bij; (4) [傷を] oplopen
頂戴する choudaisuru ontvangen; krijgen; in ontvangst nemen; aanvaarden; aannemen; accepteren; aanpakken; [i.h.b.] te eten en te drinken krijgen
鵜呑み unomi (1) het opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; naar binnen schrokken; werken; (2) het kritiekloos slikken; aanvaarden; het klakkeloos aannemen
鵜呑みにする unominisuru (1) opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; in één zwelg naar binnen schrokken; werken; in z'n geheel verzwelgen; (2) kritiekloos slikken; aanvaarden; klakkeloos aannemen
Tijd: 1.95 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'aanvaarden').
2005-2026
