日蘭辭典+

15 resultaten voor ‘afleiden’
日蘭辭典 (trefwoord)
kan-i換位
zn. herleiding v. ¶ 換位する
yudan油斷

(油断) zn. onachtzaamheid v.; achteloosheid v.; nalatigheid v. ¶ 油斷なき oplettend; attent; vol aandacht. ¶ 油斷する niet opletten; niet op zijn hoede zijn; onachtzaam zijn. ¶ 油斷させる iemands aandacht afleiden.

waki

zn. (1) [胸] zijde van de borst. (2) [側] kant m. bw. (3) [他所] elders. ¶ 脇に行く op zijde gaan. ¶ 脇の zijdelingsch; ander; van ter zijde; van den anderen kant. ¶ 脇に(そばに) naast; ter zijde van; op zijde; (腋下に) onder den arm; in de zijde. ¶ 脇に寄る op zij gaan. ¶ 脇へ座る naast iemand gaan zitten. ¶ 脇に抱へる onder den arm dragen. ¶ 人を脇へ連れて行く iemand ter zijde nemen. ¶ 話を脇へそらす het gesprek op een ander onderwerp brengen. ¶ 流を脇へ向ける stroom afleiden. ¶ 脇の目で見る als omstander aanzien; van ter zijde zien.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afleiden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
察知する satchisuru in de gaten hebben; doorhebben; doorzien; inzien; merken; bemerken; opmaken; de indruk krijgen; bespeuren; gewaarworden; beseffen; lucht krijgen van; vermoeden; aanvoelen; afleiden
推測する suisokusuru raden; gissen; schatten; vermoeden; veronderstellen; supponeren; aannemen; opmaken; afleiden
推理する suirisuru deduceren; afleiden; opmaken; infereren; concluderen; redeneren
推論する suironsuru redeneren; infereren; afleiden; deduceren; concluderen; opmaken
推量する suiryousuru (1) vermoeden; veronderstellen; [veroud.] onderstellen; gissen; raden; speculeren; als conjectuur opperen; (2) concluderen; besluiten; afleiden; aannemen; eruit opmaken; infereren; zich voorstellen
演繹する enekisuru deduceren; afleiden
知る;識る shiru (1) kennen; weten; bekend zijn met; weet hebben van; [veroud.] kundig zijn van; (2) beseffen; zich realiseren; (zich) bewust zijn (van); erkennen; inzien; begrijpen; gewaarworden; ontdekken; aan de weet komen; snappen; (3) ondervinden; ervaren; leren kennen; (be)merken; bespeuren; voelen; [i.h.b.;bijb.] bekennen; (4) enig idee; vermoeden hebben; eruit opmaken; afleiden; [form.] bevroeden; (5) te maken hebben met; bemoeienis hebben met; aangaan
移す;遷す utsusu (1) [in zijn geheel op een andere plaats] zetten; verplaatsen; verschuiven; (2) overgieten; overschenken; schenken; (3) [een gerechtszaak] overbrengen; overdragen; (4) een andere richting; wending geven; afleiden; (5) [病気を] overdragen; doen overgaan; infecteren met; aansteken
窺う ukagau (1) gluren; loeren; turen; [Belg.N.] piepen; (2) afwachten; uitzien naar; loeren op; (3) bestuderen; opnemen; aandachtig bekijken; (4) opmaken; concluderen; uitmaken; afleiden; deduceren; infereren
結論付ける ketsuronzukeru concluderen; conclusies trekken; tot conclusies komen; opmaken; gevolgtrekkingen maken; vaststellen; afleiden
転じる tenjiru (1) zich wijzigen; veranderen; een ommekeer maken; (2) ronddraaien; rondwentelen; omwentelen; roteren; (3) wijzigen; veranderen; verleggen; afleiden; omzetten; keren; doen omwenden; [責任を] schuiven op; afschuiven op; [居を] verhuizen; overbrengen
転ずる tenzuru (1) zich wijzigen; veranderen; een ommekeer maken; (2) ronddraaien; rondwentelen; omwentelen; roteren; (3) wijzigen; veranderen; verleggen; afleiden; omzetten; keren; doen omwenden; [責任を] schuiven op; afschuiven op; [居を] verhuizen; overbrengen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'afleiden'). 
2005-2026