日蘭辭典+

39 resultaten voor ‘arm’
日蘭辭典 (trefwoord)
akahadaka赤裸
zn. naaktheid v. ¶ 赤裸の spiernaakt. ¶ 赤裸になる spiernaakt uitkleeden. ¶ 無一文になる arm worden; doodarm worden.
yaseude瘦腕
(痩せ腕; 瘠せ腕) zn. magere arm m.; geringe bekwaamheid v.; zwakke kracht v.
binbō貧乏
zn. armoede v. ¶ 貧乏な arm; armoedig. ¶ 貧乏する arm zijn. ¶ 其の日暮らし van de hand in den tand leven. ¶ 貧乏にする arm maken. ¶ 貧乏 een niet. ¶ 貧乏町 achterbuurt. ¶ 貧乏人 arme; pauper.
komanuku拱く
¶ 手を拱いて傍觀する met gekruiste armen toezien; zich er niets van aantrekken. ※ Tevens komaneku (拱く; 拱ねく).
kakae抱へ
zn. (1) [抱くこと] omhelzing v. (2) [雇入] dienst m.; emplooi o. ¶ 抱への in dienst. ¶ 抱主 baas; meester. ¶ 抱車 eigen rijtuig. ¶ 抱醫 lijfarts. ¶ 抱入れる in dienst nemen. ¶ 抱へる in de armen houden; onder den arm houden; omhelzen; in dienst hebben; houden.
fuchin浮沈
zn. wisselvalligheid v.; rad van fortuin; grootheid en val. ¶ 浮沈する leven leiden vol wisselvalligheid; nu eens rijk dan eens arm zijn.
ko-ude小腕

zn. zwakke arm m.; onvoldoende kracht v. ¶ 小腕で兩親を養つて居る hij onderhoudt zijn beide ouders met zijn zwakke krachten.

kowaki小脇に

bw. onder den arm.

wakinoshita腋下

zn. oksel m. ¶ 腋の下に抱へる onder den arm dragen.

waki

zn. (1) [胸] zijde van de borst. (2) [側] kant m. bw. (3) [他所] elders. ¶ 脇に行く op zijde gaan. ¶ 脇の zijdelingsch; ander; van ter zijde; van den anderen kant. ¶ 脇に(そばに) naast; ter zijde van; op zijde; (腋下に) onder den arm; in de zijde. ¶ 脇に寄る op zij gaan. ¶ 脇へ座る naast iemand gaan zitten. ¶ 脇に抱へる onder den arm dragen. ¶ 人を脇へ連れて行く iemand ter zijde nemen. ¶ 話を脇へそらす het gesprek op een ander onderwerp brengen. ¶ 流を脇へ向ける stroom afleiden. ¶ 脇の目で見る als omstander aanzien; van ter zijde zien.

wakibasamu脇挾む

(脇挟む) t.w. onder den arm dragen.

wakare

zn. (1) [分離] scheiding v. (2) [離別] afscheid o. (3) [分出] tak m. (4) [分岐] vertakking v.; arm m. (5) [區分] verdeeling v. ¶ 別れを告げる vaarwel zeggen; afscheid nemen. ¶ 別れの盃 afscheidsdronk. ¶ 別路 splitsing; zijweg. ¶ 此處で別路です hier loopen onze wegen uiteen; hier scheiden wij.

ude

zn. arm m.; bekwaamheid (技倆) v. ¶ 腕を組む de armen kruisen. ¶ 腕が痒つてゐる de handen jeuken. ¶ 腕沙汰に及ぶ geweld gebruiken. ¶ 腕を貸す een handje helpen; hulp verleenen. ¶ 腕をまくる de mouwen opstroopen. ¶ 腕を折る zijn arm breken. ¶ 腕を組合せて arm in arm; gearmd. ¶ 腕時計 armbandhorloge. ¶ 腕比べをする zich met elkaar meten.

udegi腕木

zn. dwarsbalk m.; houten arm tot steun.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
over:bimbo
Het Engelse woordje bimbo spreek je vrijwel precies hetzelfde uit als het Japanse woordje binbō, 貧乏. De reden daarvoor is dat net als in het Nederlands (en Engels) in het Japans een n voor een b of een p als een m wordt uitgesproken (oude Hepburn spelling was dan ook bimbô). Verder is de ō eenvoudig een lange o. Een bimbo betekent in het Engels zoiets als ‘dom blondje’ en is trouwens als zodanig ook in het Nederlands niet onbekend. In het Japans betekent het echter ‘arm; armoedig; berooid’.

¶ 貧乏であることを恥ずかしいと思わない。Binbō de aru koto wo hazukashii to omowanai. Ik schaam me er niet voor dat ik arm ben; Ik denk niet dat arm zijn iets is om je voor te schamen. (TTC) ¶ 貧乏だけれど彼は幸福だ。 Binbou da keredo kare wa kōfuku da. Hoewel hij arm is, is hij gelukkig; Hij is dan wel arm, maar hij is toch gelukkig. ¶ 僕はその貧乏な少年になけなしの金を与えた。 Boku wa sono binbō na shōnen ni nakenashi no kane wo ataeta. Ik gaf die arme jongen een kleinigheid. (TTC)

NB mnemonic: een bimbo is arm van geest TW HOMONIEM


RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <arm>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アーム aamu (1) arm; (2) armleuning; (3) [comp.] ARMM [= Automated Retroactive Minimal Moderation]
不憫な;不愍な fubinna (1) arm; zielig; erbarmelijk; beklagenswaardig; meelijwekkend; deerniswekkend; (2) vertederend
不自由な fujiyuuna (1) ongerieflijk; ongemakkelijk; gebrekkig; gehandicapt; gehinderd; onthand; geïnvalideerd; ontriefd; [i.h.b.] mank; [gew.] gebrekkelijk; (2) behoeftig; arm
乏しい toboshii schaars; krap; schraal; schamel; mager; pover; beperkt; bekrompen; arm; armoedig; schrepel; schrapel; [gew.] betuin; betuun; [gew.] schier
tei laag-; hypo-; neder-; met laag …; -arm
入江 irie inham; kreek; kleine baai; bocht; arm; boezem; bassin
可哀相な;可愛想な kawaisouna beklagenswaardig; zielig; deerniswekkend; treurig; arm; armzalig; erbarmelijk; jammerlijk; deerniswekkend; meelijwekkend; ellendig; droevig; triest; triestig; aandoenlijk; ontroerend; wreed; hard
可憐 karen (1) lief; snoezig; beminnelijk; aantrekkelijk; innemend; lieflijk; schattig; (2) aandoenlijk; erbarmelijk; deerniswekkend; arm
哀れな awarena (1) treurig; droevig; bedroefd; droef; triest; verdrietig; ongelukkig; (2) ellendig; akelig; beroerd; belabberd; bedroevend; zielig; arm; (3) erbarmelijk; beklagenswaardig; jammerlijk; aandoenlijk; ontroerend; deerniswekkend; meelijwekkend
寒い sabui (1) [気温が] koud; frisjes; (2) arm; behoeftig
幼け itaike (1) aandoenlijk; ontroerend; aangrijpend; erbarmelijk; beklagenswaardig; arm; hulpeloos; zielig; (2) lief; snoezig; schattig; (3) klein; jong; onschuldig; pril; teer
愛しい itoshii (1) dierbaar; lief; geliefd; bemind; teder; (2) erbarmelijk; arm; beklagenswaardig
te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [とらんぷの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
支流 shiryuu (1) zijrivier; bijrivier; zijarm; arm; tak van een rivier; (2) [geneal.] zijtak; zijlijn; tak; (3) aftakking; afsplitsing; onderafdeling
気の毒 kinodoku arm; armzalig; miserabel; beklagenswaardig; deerniswekkend
気の毒な kinodokuna jammer; betreurenswaardig; spijtig; jammerlijk; erbarmelijk; beklagenswaardig; deerniswekkend; arm; zielig; ellendig; droevig; ongelukkig; onfortuinlijk
痛ましい itamashii (1) schrijnend; smartelijk; pijnlijk; treurig; bedroevend; erbarmelijk; miserabel; meelijwekkend; deerniswekkend; beklagenswaardig; jammerlijk; hartverscheurend; tragisch; (2) kommerlijk; hard; ellendig; bitter; armzalig; arm; ongelukkig; triest
ude (1) [anat.] arm; (2) bekwaamheid; vaardigheid; geschiktheid; talent; bedrevenheid
sode (1) mouw; arm; armbekleedsel; (2) [建物の] zijvleugel; [舞台;机の] zijstuk; [i.h.b.] coulisse
貧しい mazushii (1) arm; behoeftig; armoedig; noodlijdend; (2) zwak; pover; armzalig; schamel; mager; karig; schraal; gebrekkig
貧乏な binbouna arm; armoedig; behoeftig; nooddruftig; onbemiddeld; kaal; onvermogend; minvermogend; ongegoed; armlastig
貧困 hinkon (1) armoede; armoe; behoeftigheid; noodlijdendheid; gebrek; nooddruft; kommer; indigentie; (2) gebrek; tekort; schaarste; (3) arm; behoeftig; armoedig; noodlijdend; gebrekkig; nooddruftig; kommervol; indigent; minvermogend
hin (1) armoede; (2) arm; behoeftig; (a) onbemiddeld; arm; (b) ontoereikend; deficiënt
bin arm; behoeftig
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.44 sec. jiten.nl: 15 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'arm'). 
2005-2026