日蘭辭典+

35 resultaten voor ‘voorzien’
日蘭辭典 (trefwoord)
yashinau養ふ
(養う) t.w. (1) [養育] verzorgen; grootbrengen; opvoeden. (2) [給養] onderhouden; i.w. in het onderhoud voorzien van; den kost verdienen voor. t.w. (3) [飼ふ] houden. i.w. (4) [飼養] eten geven; t.w. voeden. t.w. (5) [精神を] kweeken; cultiveeren. ¶ 病を養ふ herstellen; voor zijn gezondheid zorg dragen.
seikatsu生活
zn. leven o.; bestaan o. ¶ 現實生活 het werkelijke leven. ¶ 私的生活 privé leven.¶ 悲慘な生活 ellendig bestaan. ¶ からへの生活 een leven van de hand in den tand. ¶ 生活する leven; bestaan; in zijn onderhoud voorzien. ¶ 生活費 kosten van levensonderhoud. ¶ 生活狀態 levensomstandigheden. ¶ 生活力 levenskracht; vitaliteit.¶ 生活體 levend wezen; organisme. ¶ 生活程度 levensstandaard. ¶ 扶助を受けて生活する bestaan van liefdadigheid. ¶ 生活を一新する een nieuw leven beginnen; zijn leven beteren.
fuchi扶持
zn. bezoldiging (給金) v.; rantsoen (食料) o. ¶ 扶持にありつく een betrekking hebben; () een baantje hebben. ¶ 扶持に離れる zijn betrekking verliezen. ¶ 扶持する in het onderhoud voorzien. ¶ 扶持金 ondersteuning; onderstand; maandgeld. ¶ 扶持米 rantsoen.
shikyū支給
zn. voorziening v.; verschaffing v. ¶ 支給する verschaffen; zorgen voor; voorzien van.
chōtatsu調達

zn. verschaffing v.; voorziening v.; levering v. ¶ 調達する verschaffen; voorzienen; leveren. ¶ 品物を調達する goederen leveren. ¶ を調達する geld verschaffen.

kurasu暮す

i.w. leven; bestaan; in zijn onderhoud voorzien; t.w. doorbrengen; passeeren. ¶ 田舍で暮す buiten wonen. ¶ 獨身で暮す alleen wonen; niet getrouwd zijn. ¶ 奢侈に暮す een weelderig leven leiden. ¶ 日を暮す den tijd doorbrengen.

kuwaseru食せる

i.w. (1) [食物を] te eten geven; voeren met; voeden met. (2) [扶養する] in het onderhoud voorzien van; zorgen voor. t.w. (3) [欺く] bedriegen; erin laten loopen. ¶ 笠聲を食せる een vuistslag geven.

-zuki附き

bn. voorzien van; toegerust met. ¶ 湯殿附きの家 huis met badkamer.

yūsei有聲

(有声) zn. bezit van klank. ¶ 有聲の geluidgevend; voorzien van eene stem.

yowatari世渡

zn. levensonderhoud o.; bestaan o. ¶ 世渡する in zijn onderhoud voorzien; leven; bestaan. ¶ それも世渡だ het gaat om den broode.

yochi豫知

(予知) zn. vooruitweten o. ¶ 豫知する vooruit weten; voorzien.

yōbō要望

zn. eisch m.; dringende behoefte v. ¶ 多年の要望に應ずる in een lang gevoelde behoefte voorzien.

warigakino割書の

bn. van tusschen gevoegde commentaren voorzien.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <voorzien>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
予想する yosousuru verwachten; voorzien; anticiperen; zien aankomen dat; rekening houden met; schatten; ramen
予測する yosokusuru voorspellen; voorzien; vooruitzien; schatten; prognosticeren
予知する yochisuru voorzien; vooruitzien; voorspellen
先取りする sakidorisuru (1) op voorhand ontvangen; voorafnemen; zich vooraf toe-eigenen; vooraf in bezit nemen; vooraf verwerven; (2) anticiperen; vóór zijn; inspelen op; voorvoelen; voorzien
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
図る hakaru (1) plannen; beramen; beogen; het aanleggen op; streven naar; nastreven; (2) pogen; proberen; een poging doen tot; (3) verwachten; rekening houden met; rekenen op; voorzien
思う omou (1) denken; (2) geloven; overtuigd zijn; vast vertrouwen op; (3) geneigd zijn; de neiging hebben tot; (4) beschouwen als; bezien als; vinden dat; houden voor; (zich) aanrekenen als; menen; achten; veronderstellen ~ te zijn; (5) verwachten; hopen; rekenen op; voorzien; (6) vrezen dat; bang zijn dat; bevreesd zijn dat; (7) zich verbeelden; zich voorstellen; zich indenken; zich een beeld vormen van; (8) veronderstellen; aannemen; gissen; berekenen; er van uit gaan dat; (9) zich herinneren; (10) van plan zijn te; de intentie hebben te; (11) wensen; verlangen; willen; begeren; (12) geïnteresseerd zijn in; belangstelling hebben voor; (13) beminnen; liefhebben; verliefd worden op; verliefd zijn op; verlangen naar; (14) zich afvragen of; (15) verdenken van; wantrouwen; mistrouwen; verdenken te
想う omou (1) hopen; wensen; verwachten; voorzien; (2) gissen; vermoeden; raden naar; (3) veronderstellen; vooronderstellen; aannemen; uitgaan van; (4) zich herinneren; voor de geest roepen; voor de geest halen; voor zich halen; (5) sympathie voelen voor; sympathiseren met; een warm hart toedragen; genegenheid voelen voor; waardering gevoelen voor
拵える koshiraeru (1) maken; in elkaar steken; fabriceren; knutselend maken; vervaardigen; bereiden; in elkaar flansen; (2) bouwen; construeren; opbouwen; optrekken; (3) voorbereiden; prepareren; arrangeren; toebereiden; toebereidselen treffen; zich klaarmaken voor; zich gereedmaken voor; (4) inzamelen; ophalen; vergaren; verschaffen; voorzien; leveren [Het lijdend voorwerp van dit werkwoord is meestal een woord dat naar geld;financiële middelen;fondsen;etc. verwijst.]; (5) verzinnen; uitvinden; verdichten; fingeren; bedenken; uitdenken; fantaseren; uit zijn duim zuigen; (6) zich opkleden; zich mooi aankleden; zijn beste kleren aantrekken; zijn beste pak aantrekken; (7) zijn toilet maken; zich opknappen; zich mooi maken; make-up aanbrengen; het uiterlijk verzorgen
整える totonoeru (1) in orde brengen; fatsoeneren; ordenen; fiksen; arrangeren; opmaken; gereedmaken; een goede vorm geven aan; opknappen; opkalefateren; [gew.] berechten; (2) voorbereiden; klaarmaken; bereiden; gereedmaken; [食卓を] dekken; voorzien; regelen; [資金を] werven
期する kisuru (1) [時期;期限を] vastleggen; bepalen; prikken; (2) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (3) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (4) [再会を] beloven; afspreken
期する gosuru (1) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (2) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (3) [再会を] beloven; afspreken
期す kisu (1) [時期;期限を] vastleggen; bepalen; prikken; (2) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (3) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (4) [再会を] beloven; afspreken
期す gosu (1) [必勝を] zich vast voornemen; daadwerkelijk plannen; z'n zinnen zetten op; (2) [生還を] verwachten; hopen op; uitkijken naar; tegemoet zien; afwachten; rekenen op; voorzien; anticiperen; zich voorbereiden op; (3) [再会を] beloven; afspreken
果然 kazen (1) zoals verwacht; zoals voorzien; inderdaad; niet onverwachts; (2) verwacht; voorzien
睨む niramu (1) dreigend; boos; kwaad aankijken; strak aanblikken; grimmig aanzien; grimmen; aangrimmen; (2) in de gaten houden; in het oog houden; gadeslaan; zich concentreren op; goed opletten; scherp letten op; (3) verdenken; inschatten; houden voor; achten; rekenen; (4) [にらまれる] gewantrouwd worden; op de zwarte lijst staan; uit de gratie zijn; in een slecht blaadje staan; het verkorven hebben bij; (5) anticiperen; voorzien; uitgaan van; rekening houden met; incalculeren
納める osameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
見込む mikomu (1) verwachten; voorzien; anticiperen; rekening houden met; in overweging nemen; (2) rekenen op; vertrouwen op; (3) schatten; ramen; (4) een oogje hebben op; uit zijn op; op het oog hebben; in het vooruitzicht hebben
見通す mitoosu (1) uitkijken; ten einde kijken; bekijken; (2) ongehinderd overzien; vrijelijk zicht hebben; (3) erdoor kijken; zien; doorzien; doorgronden; doorvorsen; doordringen; (4) voorzien; vooruitzien
規定する kiteisuru regelen; bepalen; verordenen; voorschrijven; voorzien; stipuleren; bedingen; [veroud.] verordineren
規定の kiteino reglementair; voorgeschreven; geregeld; bepaald; voorzien; gestipuleerd; bedongen; verordend; [veroud.] verordineerd
setsu (a) voorzien; instellen; (b) op voorhand vastleggen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.98 sec. jiten.nl: 13 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'voorzien'). 
2005-2026