
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
jūji・十字
zn. kruis o. ¶ 十字の gekruist. ¶ 十字に kruislings; kruisgewijze. ¶ 十字を切る zich bekruisen. ¶ 十字架 kruis; kruisgalg. ¶ 十字路 kruisweg; wegkruising. ¶ 十字軍 kruistocht. ¶ 十字火 kruisvuur. ¶ 十字科 kruisbloemigen; cruciferen. ¶ 十字架に打附ける kruisigen; aan het kruis nagelen.
kuichigai・喰違
zn. (1) [矛盾] tegenstrijdigheid v.; inconsequentie v. (2) [道の] wegkruising v. ¶ 喰違ふ in strijd zijn met; niet overeenkomen met; dwars gaan tegen; kruisen.
uchimata・內股
(内股) zn. kruis o.; binnenkant van de dij. ¶ 内股膏藥 iemand, die beide partijen te vriend wil houden; opportunist; mooiprater.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kruis>
クロス kurosu (1) kruis; (2) kruising; kruispunt; (3) [sportt.] kruispass; (4) (geweven) stof; [i.h.b.] laken; doek
シャープ shāpu (1) [muz.] kruis; verhogingsteken; diësis; (2) hekje; matje; het teken #; (3) Sharp; Sharpe; (4) Sharp Corporation; (5) scherp; scherpzinnig
デルタ;δ;Δ deruta (1) vierde letter van het Griekse alfabet (δ; Δ); (2) delta; rivierdelta; (3) iets deltavormigs; (4) [slang] vrouwelijke schaamstreek; kruis; derde oksel
トス tosu (1) worp; (2) toss; opgooi; kruis-of-muntworp
プラス purasu (1) optelling; additie; (2) positief; boven het vriespunt; boven nul; (3) pluspunt; voordeel; plus; profijt; winst; (4) [pregn.] pluspool; anode; elektropositief ~; (5) plusteken; plusje; kruis; (6) [pregn.] positieve reactie [op een medische test enz.]
付け根 tsukene (1) wortel; onderste deel waarmee iets vastgehecht; ingeplant is; (2) [足の] lies; kruis; (3) [腕の] schoudergewricht
十字 jūji kruis
十字架 jūjika kruis; Heilig Kruis
南十字星 minamijūjisei [astron.] Zuiderkruis; Kruis; Crux
嬰記号 eikigō [muz.] kruis; verhogingsteken; diësis; ♯
嬰 ei (1) boreling; pasgeborene; neonaat; (2) [Jap.muz.] verhoging met een halve toon; (3) [muz.] kruis; verhoging met een halve toon; (a) baby; pasgeborene; (b) omgeven; omsluiten; (c) vatten; (d) toevoegen; toedoen; (e) aanraken; beroeren; (f) [muz.] verhoging met een halve toon; kruis
罰印 batsujirushi kruisje; kruis; X
股座 matagura [anat.] streek tussen de dijen; benen; kruis; schaamstreek; [男性の] lies; liesstreek
股間 kokan [anat.] streek tussen de dijen; benen; kruis; schaamstreek; [男性の] lies; liesstreek
苦 ku (1) pijn; leed; lijden; [fig.] kruis; (2) zorg; bezorgdheid; verontrusting; ongerustheid; (3) moeite; inspanning; (4) [boeddh.] duḥkha; lijden; pijn; onbehagen; ongemak; ongenoegen
表 omote (1) voorkant; voorzijde; voorste gedeelte; eerste gedeelte; goede kant; (2) [硬貨の] kruis; kop; beeldenaar; (3) bovenkant; bovenzijde; (4) oppervlakte; buitenkant; buitenzijde; (5) buiten; de straat; (6) bovenkant van een tatami; matwerk; (7) [honkb.] eerste helft van een inning
鼠蹊部 sokeibu [anat.] liesstreek; lies; kruis; regio inguinalis
Tijd: 0.99 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'kruis').
2005-2026
