日蘭辭典+

29 resultaten voor ‘kruis’
日蘭辭典 (trefwoord)
jūji十字
zn. kruis o. ¶ 十字の gekruist. ¶ 十字に kruislings; kruisgewijze. ¶ 十字を切る zich bekruisen. ¶ 十字架 kruis; kruisgalg. ¶ 十字路 kruisweg; wegkruising. ¶ 十字軍 kruistocht. ¶ 十字火 kruisvuur. ¶ 十字科 kruisbloemigen; cruciferen. ¶ 十字架に打附ける kruisigen; aan het kruis nagelen.
mata
zn. heup v.; kruis o. ¶ 股を擴げる de beenen strekken. ¶ 日本中を股にかける door heel Japan trekken.
kuichigai喰違

zn. (1) [矛盾] tegenstrijdigheid v.; inconsequentie v. (2) [道の] wegkruising v. ¶ 喰違ふ in strijd zijn met; niet overeenkomen met; dwars gaan tegen; kruisen.

kumu組む

t.w. (1) [編む] ineenvlechten. (2) [組立てる] in elkaar zetten; voegen; monteeren. (3) [交叉する] kruisen. (4) [活字を] zetten. (5) [取組み合ふ] aangrijpen; omvatten; i.w. worstelen met. i.w. (6) [共同] zich voegen bij; zich vereenigen met; samengaan met. (7) [共謀] samenspannen met; heulen met.

yūyoku游弋

zn. kruising v. ¶ 游弋する kruisen; op en neer varen.

yukichigai行違

zn. kruising v.; misverstand (間違) o. ¶ 行違ふ elkaar kruisen; elkaar passeeren; elkaar misloopen.

yokogiri橫切

(横切) zn. dwarse doorsnede v.; kruising v. ¶ 橫切る doorsnijden; kruisen. ¶ 橫切つて over dwars; dwars over.

yogiru過ぎる
watariau渡合ふ

i.w. het zwaard kruisen.

ude

zn. arm m.; bekwaamheid (技倆) v. ¶ 腕を組む de armen kruisen. ¶ 腕が痒つてゐる de handen jeuken. ¶ 腕沙汰に及ぶ geweld gebruiken. ¶ 腕を貸す een handje helpen; hulp verleenen. ¶ 腕をまくる de mouwen opstroopen. ¶ 腕を折る zijn arm breken. ¶ 腕を組合せて arm in arm; gearmd. ¶ 腕時計 armbandhorloge. ¶ 腕比べをする zich met elkaar meten.

udegumi腕組

zn. gekruiste armen m.mv. ¶ 腕組する de armen kruisen.

uchimata內股

(内股) zn. kruis o.; binnenkant van de dij. ¶ 内股膏藥 iemand, die beide partijen te vriend wil houden; opportunist; mooiprater.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kruis>
クロス kurosu (1) kruis; (2) kruising; kruispunt; (3) [sportt.] kruispass; (4) (geweven) stof; [i.h.b.] laken; doek
シャープ shāpu (1) [muz.] kruis; verhogingsteken; diësis; (2) hekje; matje; het teken #; (3) Sharp; Sharpe; (4) Sharp Corporation; (5) scherp; scherpzinnig
デルタ;δ;Δ deruta (1) vierde letter van het Griekse alfabet (δ; Δ); (2) delta; rivierdelta; (3) iets deltavormigs; (4) [slang] vrouwelijke schaamstreek; kruis; derde oksel
トス tosu (1) worp; (2) toss; opgooi; kruis-of-muntworp
プラス purasu (1) optelling; additie; (2) positief; boven het vriespunt; boven nul; (3) pluspunt; voordeel; plus; profijt; winst; (4) [pregn.] pluspool; anode; elektropositief ~; (5) plusteken; plusje; kruis; (6) [pregn.] positieve reactie [op een medische test enz.]
付け根 tsukene (1) wortel; onderste deel waarmee iets vastgehecht; ingeplant is; (2) [足の] lies; kruis; (3) [腕の] schoudergewricht
十字 jūji kruis
十字架 jūjika kruis; Heilig Kruis
南十字星 minamijūjisei [astron.] Zuiderkruis; Kruis; Crux
嬰記号 eikigō [muz.] kruis; verhogingsteken; diësis; ♯
ei (1) boreling; pasgeborene; neonaat; (2) [Jap.muz.] verhoging met een halve toon; (3) [muz.] kruis; verhoging met een halve toon; (a) baby; pasgeborene; (b) omgeven; omsluiten; (c) vatten; (d) toevoegen; toedoen; (e) aanraken; beroeren; (f) [muz.] verhoging met een halve toon; kruis
罰印 batsujirushi kruisje; kruis; X
股座 matagura [anat.] streek tussen de dijen; benen; kruis; schaamstreek; [男性の] lies; liesstreek
股間 kokan [anat.] streek tussen de dijen; benen; kruis; schaamstreek; [男性の] lies; liesstreek
ku (1) pijn; leed; lijden; [fig.] kruis; (2) zorg; bezorgdheid; verontrusting; ongerustheid; (3) moeite; inspanning; (4) [boeddh.] duḥkha; lijden; pijn; onbehagen; ongemak; ongenoegen
omote (1) voorkant; voorzijde; voorste gedeelte; eerste gedeelte; goede kant; (2) [硬貨の] kruis; kop; beeldenaar; (3) bovenkant; bovenzijde; (4) oppervlakte; buitenkant; buitenzijde; (5) buiten; de straat; (6) bovenkant van een tatami; matwerk; (7) [honkb.] eerste helft van een inning
鼠蹊部 sokeibu [anat.] liesstreek; lies; kruis; regio inguinalis
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.99 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'kruis'). 
2005-2026