日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘geweld’
日蘭辭典 (trefwoord)
zn. geweld o. ¶ 暴に出る geweld gebruiken. ¶ 暴な gewelddadig; woest.
bōaku暴惡
(暴悪) zn. geweld o.; woestheid v.; wreedheid v.
guiguiぐいぐい
bw. met kracht; met rukken.
bōkō暴行

zn. geweld o.; geweldpleging v. ¶ 暴行する geweld plegen; wreedheden begaan.

kyōbō强暴

(強暴) zn. geweld o. ¶ 強暴なる gewelddadig.

kyōkō强行

(強行) zn. dwang m. ¶ 强行する dwingen; met geweld uitvoeren; forceeren. ¶ 强行軍 geforceerde marsch.

wanryoku腕力

zn. physieke kracht v.; spierkracht v. ¶ 腕力に訴へる zijn toevlucht nemen tot geweld. ¶ 腕力を用ひる geweld gebruiken. ¶ 腕力の制裁を加へる eigen rechter zijn. ¶ 腕力政治 recht aan den sterkste.

ude

zn. arm m.; bekwaamheid (技倆) v. ¶ 腕を組む de armen kruisen. ¶ 腕が痒つてゐる de handen jeuken. ¶ 腕沙汰に及ぶ geweld gebruiken. ¶ 腕を貸す een handje helpen; hulp verleenen. ¶ 腕をまくる de mouwen opstroopen. ¶ 腕を折る zijn arm breken. ¶ 腕を組合せて arm in arm; gearmd. ¶ 腕時計 armbandhorloge. ¶ 腕比べをする zich met elkaar meten.

udezuku de腕盡くで

(腕尽くで) bw. met geweld.

uchiiri討入

zn. binnendringing v.; inbraak m.; gewelddadige inval m. ¶ 討入る met geweld binnendringen; inbreken; zich een weg naar binnen banen.

tsukiyaburu突破る

(突き破る) t.w. doorbreken; i.w. zich met geweld een doorgang verschaffen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
tachiuchi太刀打ち
(1) de zwaarden kruisen; vechten met zwaarden; elkaar met zwaarden bevechten. ¶ 太刀打ちする tachiuchi suru te zwaard de strijd aangaan (met iemand). ¶ 太刀打ちの技 tachiuchi no waza de kunst van het zwaardvechten. (2) (fig.) oppositie; tegenstand. ¶ 太刀打ちする tachiuchi suru tegenstand bieden; wedijveren met; mededingen; de krachten meten; pareren. ¶ 太刀打できる tachiuchi dekiru opgewassen zijn (tegen); iemand de baas zijn. ¶ 太刀打できない tachiuchi dekinai niet opgewassen zijn (tegen); niet kunnen evenaren; het onderspit delven. ¶ 警察はそういう暴力と太刀打ち出来なかった。 Keisatsu wa sō yū bōryoku to tachiuchidekinakatta. De politie was niet in staat om dergelijk geweld het hoofd te bieden. (TTC) ¶ 来週から中間テストだ。一夜漬けじゃ、太刀打ちできない問題ばかりだぞ。今日から始めろよ。♂ Raishū kara chūkan tesuto da. Ichiya tsuke ja, tachiuchidekinai mondai bakari da zo. Kyō kara hajimeru yo. Vanaf volgende week zijn er tussentijdse examens. Die hebben alleen maar vragen die je echt niet de baas kunt met een enkel nachtje blokken! Je moet nu beginnen! (TTC) ¶ 良質のぶどうではフランス太刀打ちできるないRyōshitsu no budō sake de wa Furansu ni tachi uchidekiru kuni wa nai. Waar het kwaliteitswijn betreft is er geen land dat Frankrijk kan evenaren. (TTC) (3) een benaming voor het deel van een lans of een speer onder de punt; specifiek het bovendeel tussen de onderzijde van de punt (口金 kuchigane) en het iets lager gelegen deel, in het Japans aangeduidt als 血溜まり chidamari - ‘het verzamelpunt van het bloed’. Niet zelden is dit deel bekleed met stof.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <geweld>
乱暴 ranbō (1) baldadigheid; geweld; gewelddadigheid; hardhandigheid; ruw gedrag; bruut geweld; onstuimigheid; woestheid; ordeloosheid; overweldiging; violentie; ongeregeldheden; (2) grofheid; bruutheid; ruwheid; ruigte; ruigheid; woestheid; (3) baldadig; gewelddadig; hardhandig; onstuimig; woest; wild; rebels; onbesuisd; ordeloos; ongeregeld; [lit.t.] torve; (4) grof; bruut; ruw; hard; ruig
凶暴 kyōbō (1) woestheid; wildheid; bruutheid; barbaarsheid; wreedheid; beestachtigheid; geweld; gewelddadigheid; gewelddaad; gruweldaad; (2) woest; wild; bruut; barbaars; wreed; beestachtig; gewelddadig
chikara (1) kracht; macht; energie; force; invloed; potentie; [i.h.b.] geweld; [volkst.] forsie; (2) sterkte; kracht; moed; (3) hulp; behulp; middelen; (4) kracht; inspanning; moeite; (5) vermogen; kunnen; capaciteit; bekwaamheid; vaardigheid
実力 jitsuryoku (1) prestatievermogen; vermogen; bekwaamheid; vaardigheid; competentie; praktische beheersing; capaciteit; capabiliteit; iems. kunnen; begaafdheid; (2) geweld; wapengeweld; [fig.] de wapenen
悪逆 akugyaku (1) subversie; verraad; (2) kwaaddoenerij; geweld; (3) [ritsuryō] slagen en verwondingen tegen; of doodslag op bloed- en aanverwanten
暴れ abare (1) amok; herrie; heibel; baldadigheid; geweld; (2) [kabuki] wilde trommelbegeleiding
暴力 bōryoku (1) geweld; geweldpleging; grof geweld; (2) gewelddadigheid; [veroud.] violentie
暴挙 bōkyo (1) geweld; gewelddaad; gewelddadigheid; geweldpleging; feitelijkheid; (2) relletje; oproer; revolte; ordeverstoring; ongeregeldheid; opstandje; opstootje; insurrectie; (3) roekeloosheid; vermetelheid; onbezonnenheid
暴行 bōkō (1) geweld; geweldpleging; daad van geweld; gewelddaad; feitelijkheid; (2) aanranding; verkrachting; ontering; violatie
激烈 gekiretsu (1) hevigheid; heftigheid; felheid; verbetenheid; barheid; vinnigheid; verwoedheid; vurigheid; onstuimigheid; woestheid; furie; geweld; wildheid; intensiteit; (2) hevig; heftig; geweldig; fel; verbeten; bar; vinnig; verwoed; vurig; onstuimig; woest; furieus; wild; intens; extreem; zeer krachtig; violent; verschrikkelijk
無法 muhō (1) onrecht; onrechtvaardigheid; onbillijkheid; onwettigheid; illegaliteit; wederrechtelijkheid; onrechtmatigheid; rechteloosheid; wetteloosheid; (2) baldadigheid; geweld; (3) onredelijkheid; ongerijmdheid; onverdedigbaarheid; (4) onrechtvaardig; onbillijk; onwettig; illegaal; wederrechtelijk; illegitiem; onrechtmatig; rechteloos; wetteloos; [Belg.N.] onwettelijk; (5) baldadig; misdadig; gewelddadig; (6) onredelijk; ongerijmd; absurd; onverdedigbaar; niet te rechtvaardigen; ongepast; ongemotiveerd; zonder reden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.99 sec. jiten.nl: 13 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'geweld'). 
2005-2026