
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
hegeru・剥げる
i.w. losgaan.
yurumeru・緩める
t.w. (1) [繩等を] losmaken; vieren. (2) [速力を] verlangzamen; vertragen. (3) [稀薄] verdunnen. ¶ 手を緩める loslaten; laten schieten; houvast verliezen. ¶ 心を緩める aandacht laten verslappen. ¶ 罰を緩める straf verlichten. ¶ 腹を緩める purgeeren; laxeeren. ¶ 手綱を緩める teugels vieren. ¶ 緩み verslapping; vertraging; vermindering van spanning; verlichting; verzachting. ¶ 緩む losraken; slapper worden; minder worden; vertraagd worden; verzacht worden. ¶ 腹が緩む loslijvig zijn; diarrhee hebben.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <loslaten>
リリースする rirīsusuru (1) releasen; uitbrengen; in de handel brengen; (2) vrijlaten; loslaten; vrijgeven
剥 haku (a) villen; stropen; afstropen; (b) loslaten; afbladderen; afpellen; eraf gaan; (c) roven
剥がれる hagareru afkomen; loslaten; loskomen; afbladderen; afschilferen; afpellen; er afgaan; eraf gaan
剥げる;禿げる;兀げる hageru (1) loslaten; loskomen; afschilferen; afbladderen; afpellen; afkomen; (2) [色が] vervagen; verbleken; verschieten
剥げ落ちる hageochiru (1) afkomen; afbladderen; afschilferen; afpellen; loslaten; loskomen; (2) [色が] verfletsen; verkleuren; verschieten; verbleken; vervagen; [veroud.;gew.] verschijnen
剥離する hakurisuru (1) loslaten; loskomen; losgaan; afschilferen; afbladderen; (2) losmaken; verwijderen; eraf doen; afkrabben; afschaven; afschrapen
取れる toreru (1) losgaan; loskomen; loslaten; losraken; [m.b.t. vlekken] er uitgaan; [m.b.t. gewenning e.d.] afraken van; eraf gaan; er afgaan; (2) [m.b.t. koorts;pijn;spanning] wijken; overgaan; weggaan; (3) [m.b.t. geld;loon;vrijaf] kunnen krijgen; kunnen verdienen; kunnen vangen; kunnen opstrijken; te innen zijn; beuren; kunnen behalen; kunnen loskrijgen; [m.b.t. polsslag] kunnen opnemen; (4) kunnen opvatten; kunnen opnemen; geïnterpreteerd kunnen worden; (5) [in zijn hand enz.] kunnen houden; kunnen pakken; kunnen nemen; (6) [m.b.t. vis;wild enz.] kunnen vangen; te vangen zijn; kunnen buitmaken; in de wacht kunnen slepen; kunnen bemachtigen
外れる hazureru (1) loskomen; losraken; losgaan; [onoverg.] loslaten; uit [het lid;de hengsels;de rails enz.] raken; afkomen; afraken (van); afvallen; verlaten; [de stad enz.] uitgaan; (2) erbuiten vallen; ernaast zitten; het mis hebben; niet in [het bestek;de prijzen enz.] vallen; missen; in [zijn verwachting enz.] bedrogen uitkomen; teleurgesteld worden; (3) afwijken van; afdwalen van; afdrijven; ingaan tegen; in strijd zijn met
手放す tebanasu (1) uit z'n handen laten gaan; loslaten; laten schieten; varen; (2) uit handen geven; afstand doen van; zich ontdoen van; afstaan; overlaten; van de hand doen; [i.h.b.] verkopen; (3) laten gaan; afscheid nemen van; wegsturen; [娘を] schenken; (4) [仕事を] onderbreken; tijdelijk in de steek laten
抜ける;脱ける nukeru (1) doorsteken; [de doelman enz.] passeren; [een tunnel enz.] doorgaan; doortrekken; lopen door; [i.h.b.] doorboren; (2) [van haar;tanden] uitvallen; losgaan; losraken; loslaten; (3) aflaten; wijken; [m.n. van kracht;fut;pit] eruit gaan; het laten afweten; begeven; [fig.] verschalen; kwijtraken; (4) [ergens] uitraken; ertussenuit komen; ontkomen; wegkomen; ontlopen; ontsnappen; ontschieten; ontgaan; ontglippen; [m.n. een genootschap;wedstrijd;computerprogramma enz.] verlaten; zich terugtrekken; eruit gaan; ervandoor gaan; er tussenuit kletsen; (5) missen; ontbreken; wegvallen; mankeren; (6) wat mankeren; niet goed wijs zijn; niet goed bij zijn verstand zijn; (7) [van vesting;stad enz.] vallen
捥げる mogeru loskomen; losgaan; losraken; loslaten; afbreken; afgaan
放す hanasu (1) loslaten; laten gaan; de vrije loop laten; vieren; [veroud.;lit.t.] slaken; [veroud.;fig.] ontslaken; (2) [de hond enz.] losmaken; loszetten; vrijzetten; vrijlaten; bevrijden [van zijn halsband enz.]; laten lopen; [kooivogels enz.] laten vliegen; de vrijheid geven
放つ hanatsu (1) schieten; afschieten; afvuren; vuren; [fig.;m.b.t. gerucht;roddel enz.] lanceren; uitzenden; uitsturen; [m.b.t. boer;wind] laten vliegen; (2) afgeven; verspreiden; [m.b.t. licht] uitstralen; (3) loslaten; vrijlaten; in vrijheid stellen
浮き上がる ukiagaru (1) drijvend naar boven gaan; opdrijven; naar boven drijven; (2) van z'n basis losgaan; loslaten; losraken; zich van de grond verheffen; loskomen; (3) zich afscheiden; zich afscheuren; (4) zich ontworstelen; zich losbreken; (5) uitkomen; afsteken; zich aftekenen
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
脱落 datsuraku (1) het afvallen; loslaten; loskomen; losgaan; [必要な文字の] ontbreken; wegvallen; wegval; hiaat; lacune; [羽毛の] rui; uitval; (2) het loslaten; lossen; afhaken; opgave; afvalligheid; afval; verzaking; desertie; uitval; (3) [boeddh.] onthechting
脱落する datsurakusuru (1) afvallen; loslaten; loskomen; losgaan; [必要な文字が] ontbreken; wegvallen; mankeren; [羽毛が] ruien; uitvallen; (2) loslaten; lossen; [Belg.N.] de rol lossen; achteropraken; afhaken; uitvallen; afvallen; niet meekunnen met; niet meer meedoen; opgeven; [学校から] niet afmaken; vroegtijdig verlaten
自由にする jiyūnisuru (1) naar (eigen) believen handelen; z'n eigen zin doen; het naar z'n zin maken; [Belg.N.] z'n goesting doen; (2) vrij gebruik maken van; vrijelijk omspringen met; de vrije beschikking hebben over; vrij ter beschikking hebben; (3) vrijlaten; loslaten; de vrije hand laten; losmaken; vrij maken; bevrijden; in vrijheid stellen; op vrije voeten stellen; de vrijheid geven aan; vrijgeven
解き放す tokihanasu vrijlaten; loslaten; losmaken; in vrijheid stellen; laten; bevrijden; vrijmaken
解き放つ tokihanatsu vrijlaten; loslaten; losmaken; in vrijheid stellen; laten; bevrijden; vrijmaken
解ける tokeru (1) losraken; losgaan; loskomen; loslaten; [i.h.b.] tornen; (2) wijken; slinken; verdwijnen; overgaan; opgehelderd raken; uit de wereld raken; (3) opgeheven raken; ontheven raken; komen te vervallen; [束縛が] vallen; bevrijd raken van; (4) zich ontspannen; [警戒が] verslappen; (5) opgelost raken; [数学の問題が] uitkomen; (6) [雪;氷が] smelten; versmelten; dooien; ontdooien
解ける hodokeru loskomen; losgaan; losraken; loslaten; rafelen; uit elkaar vallen
退く noku (1) opzijgaan; opzij stappen; aan de kant gaan; uit de weg gaan; uitwijken; wijken; plaatsmaken; (2) wegtrekken; ontruimen; zich terugtrekken; (3) verlaten; zich afscheiden; uittreden; (4) op een afstand blijven; afstand bewaren; zich afzijdig houden; (5) terugtrekken; de aftocht blazen; (6) terugtreden; aftreden; [職を] opgeven; neerleggen; afstand doen van; (7) vervreemden; contact kwijtraken; (8) loslaten; loskomen van; afvallen
逃がす;遁す nigasu (1) vrijlaten; loslaten; lossen; (vrijuit) laten gaan; laten lopen; in vrijheid stellen; (2) laten ontsnappen; laten ontglippen; laten glippen; laten ontkomen; laten wegkomen; laten ontvluchten; [m.n. gelegenheid;kans e.d.] voorbij laten gaan; [m.n. gelegenheid;kans e.d.] verlopen; laten schieten; missen
釈 shaku (1) tekstuitleg; tekstduiding; verklaring van een geschrift; exegese; (2) [Edo-periode] vertelling; voordracht; lezing; (3) [Edo-periode] verteller; voordrachtskunstenaar; declamator; recitator; (4) [boeddh.] Sakyamuni; Boeddha; (5) [reine land-boeddh.] eerwaard; [afk.] Eerw. [predicaat voor de kloosternaam]; (a) verbrokkelen; (b) verduidelijken; uitleggen; (c) losmaken; loslaten; (d) [boeddh.] Sakyamuni; Boeddha
釈放する shakuhōsuru vrijlaten; loslaten; ontslaan; [jur.] in vrijheid stellen
野放しにする nobanashinisuru (1) op de open vlakte laten grazen; de wei insturen; (2) ongemoeid laten; onbeteugeld laten; z'n zin laten doen; met rust laten; [Belg.N.] gerust laten; [犬を] loslaten; losmaken van de riem
離れる hanareru (1) afkomen; (zich) scheiden (van); zich afscheiden van; zich losmaken; gescheiden raken; uiteengaan; van elkaar gaan; afkomen van; losgaan; loskomen; losraken; loslaten; uiteenvallen; uit elkaar groeien; (2) verlaten; gaan (van); weggaan (uit); [arch.] heengaan (van); [i.h.b.] uitweiden; [i.h.b.] afdwalen; (3) uiteenliggen; af komen te liggen; af komen te staan; ontvallen; verwijderd raken
Tijd: 1.57 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 28 treffers (zoekopdracht: 'loslaten').
2005-2026
