日蘭辭典+

74 resultaten voor ‘geest’
日蘭辭典 (trefwoord)
kokoro
zn. hart o.; ziel v.; geest m.; innerlijk o.; inborst v. ¶ の狹い kleinzielig; bekrompen. ¶ 正しい het hart op de rechte plaats. ¶ を合わせ eens van zin. ¶ に印す in het hart griffen. ¶ 開く zijn hart openleggen. ¶ を入かへる zich beteren. ¶ から van ganscher harte. ¶ は in zijn hart; in den grond. ¶ 人のを汲む zich verplaatsen in de gevoelens van een ander. ¶ ありげの vol beteekenis. ¶ をやすめる zich geruststellen. ¶ 引く aantrekken; verleiden. を落着ける tot bezinning komen. ¶ を用ゐる aandacht schenken aan. ¶ を盡す zijn best doen. ¶ 置なく naar hartelust; ronduit (率直に); vrijelijk. ¶ の儘に geheel vrijwillig; uit vrijen wil.
tamashii
zn. ziel v.; geest m. ¶ 大和魂 de geest van Japan. ¶ を入れる bezielen. ¶ を入れ替へる zijn leven beteren. ¶ を打ち込んで met hart en ziel. ¶ を奪はれる betooverd zijn; bekoord zijn. ¶ の無い niet bezield; zielloos. ¶ 据る zichzelf meester zijn. ¶ に添はない niet weten wat men doet; de kluts kwijt zijn; buiten zichzelf zijn.
yūki幽鬼
zn. spook o.; geest m.
akuma惡魔
(悪魔) zn. duivel m.; booze geest m. ¶ 惡魔に魅せられる door een boozen geest bezeten zijn. ¶ 惡魔拂ひ (人) duivelbanner. ¶ 惡魔を拂ふ duivel bannen; boozen geest uitdrijven.
antei安定
zn. (1) [固定] standvastigheid v. (2) [安靜] kalmte v.; tegenwoordigheid van geest. (3) [平衡] stabiliteit v. ¶ 安定の座 stabiel evenwicht. ¶ 安定機 stabilisator. ¶ 安定翼 stabiliseervleugel.
akki惡鬼
(悪鬼) zn. duivel m.; booze geest m.
yakunin役人
zn. ambtenaar m.; beambte m. ¶ 役人風 bureaucratie. ¶ 役人根性 bureaucratische geest.
yamato大和
zn. Japan o. ¶ 大和魂 de ziel van Japan; Japansche geest.
seishin精神
(精神) zn. geest m.; ziel v. ¶ 立法の精神 geest van de wet. ¶ 精神錯亂 geestelijke afwijking; krankzinnigheid. ¶ 精神感動 emotie. ¶ 精神鬱閉 zwaarmoedigheid. 精神狀態 geestestoestand; geestesgesteldheid. ¶ 精神病 geestesziekte; psychose; krankzinnigheid. ¶ 精神病院 krankzinnigengesticht. ¶ 精神薄弱 geesteszwakte. 精神異狀 waan; manie. ¶ 精神昏迷 vervoering; extase. ¶ 精神生活 geestelijk leven; geestesleven. ¶ 精神衰弱病 geestelijke aftakeling; seniliteit.
ki
(気) zn. (1) [力] geest m.; hart o.; ziel v. (2) [質] karakter o. (3) [分] humeur o.; stemming v. (4) [傾向] neiging v.; geneigdheid v. (5) [注意] zorg v.; aandacht v. (6) [呼吸] adem m. (7) [空] lucht v.; atmosfeer v. (8) [蒸] damp m.; uitwaseming v.(9) [香] smaak m.; geur m. (10) [精] ether m. ¶ がある lust hebben; geneigd zijn. ¶ がさす ongerust zijn. ¶ が狂ふ gek worden. ¶ が違って居る niet goedwijs zijn. ¶ がふれる buiten zich zelven zijn; niet wel bij het hoofd zijn. ¶ が長い geduldig. ¶ が拔けた afgetrokken; verstrooid. ¶ が塞ぐ somber gestemd zijn; tobben; (俗) in de put zitten. ¶ が詰まる benauwd zijn. が進む volgaarne; van ganschen harte. ¶ が進まぬ geen zin hebben. ¶ が立って居る opgewonden zijn.¶ が向く geneigd zijn; lust hebben. ¶ が濟まぬ niet op zijn gemak zijn. ¶ が重くなる gedrukt zijn; somber zijn. ¶ が遠くなる bewusteloos worden; bezwijmen; flauw vallen. ¶ が咎める niet op zijn gemak zijn; zelfverwijt gevoelen. ¶ に病む ongerust zijn. ¶ ....... するになる er toe komen om; lust krijgen om. ¶ に障る hinderen; ergeren. ¶ の強い stoutmoedig; dapper. ¶ の弱い slap. ¶ の合った gelijkgezind; sympathiek. ¶ のない zouteloos; laf. ¶ の小さい kleinmoedig.¶ の狹い bekrompen; kleinzielig. ¶ 樹の大きい grootmoedig; edelmoedig (寬大); moedig. ¶ の早い driftig; opvliegend. ¶ の好い goedhartig. ¶ の利いた behendig; knap. ¶ 變り易い wispelturig. ¶ を揉む tobben; zich bezorgd maken.¶ をゆるす aandacht laten verslappen; niet goed opletten. ¶ を勵ます moedvatten. ¶ を晴らす zich ontspannen. ¶ を養ふ geest voedenを失ふ flauw vallen; bewusteloos worden; bezwijmen; bewustzijn verliezen. ¶ を探る polsen. ¶ を變へる van opinie veranderen. ¶ を配る zijn aandacht gevestigd houden op; (俗) in de gaten houden. ¶ を持つ (心をかける) zich wijden aan.¶ を長くする geduld oefenen. ¶ を拔く verslappen. ¶ を落ちつける zijn gedachten verzamelen; tot zich zelven komen. ¶ を落す den moed verliezen; den moed laten zinken. ¶ を負ふ zich laten voorstaan op; prat gaan op. ¶ を惡くする kwalijk nemen. ¶ 人のを惡くする iemand’s gevoelens kwetsen. ¶ を利かせる een wenk begrijpen. ¶ を廻す achterdocht koesteren. ¶ を附ける goed opletten; oppassen. ¶ を附け pas op !; geef acht ! (號令). ¶ は心 neem den wil voor de daad; waardeer de goede bedoeling. ¶ 何のもなしに zonder eenige (kwade) bedoeling. ¶ に懸けるな trek je er niets van aan ! ¶ あとでがついた later viel mij in ....... . ¶ が濟んだ het is mij een pak van het hart.
yūrei幽靈
(幽霊) zn. geestverschijning v.; geest m.; spook o. ¶ 幽靈の如き spookachtig. ¶ 幽靈火 dwaallichtje. ¶ 幽靈株 verwaterde aandeelen; overkapitalisatie; fictieve aandelen. ¶ 幽靈が出る spoken.
oni
zn. (1) [魔神] duivel m.; demon m.; booze geest m. (2) [亡靈] geest m.; spook m. (3) [小鬼] kabouter m. (4) [債鬼] schuldeischer m. ¶ 人鬼 duivel in menschengedaante. ¶ 鬼のやうな duivelsch; duivelachtig. ¶ 鬼になる(遊戲の) het zijn; (俗) ’m zijn. ¶ 今度の鬼はだれ wie is ’m nu?
konpaku魂魄
zn. ziel v.
mokusei木精
zn. houtgeest m.; methylalcohol m.
bōkon亡魂

zn. geest m.; spook o.

kumoyuki雲行

zn. (1) [雲の流れ] richting der wolken. (2) [形勢] loop der gebeurtenissen; geest des tijds (時勢).

kyōki俠氣

(俠気) zn. ridderlijkheid v.; ridderlijke geest m.

zendama善靈

(善霊) zn. goede geest m.; goede engel m.

yūshin雄心
yūri游離

zn. afscheiding v.; isolatie v. ¶ 游離する vrijkomen; zich afscheiden. ¶ 游離せる鹽素 vrij chloor. ¶ 游離させる vrijlaten; doen vrijlaten; afscheiden; loslaten. ¶ 肉體を游離せる靈魂 geest, die niet meer aan het lichaam gebonden is.

yūkon幽魂

zn. geest m.; ziel van een afgestorvene.

yūishinron唯心論

zn. leer van den geest; onstoffelijkheidsleer v.

yōsei妖精

zn. geest m.; fee v.

yoke

zn. beschutting v.; bescherming v.; schuilplaats v.; middel tegen o. ¶ 風除 beschutting tegen den wind. ¶ 魔除 amulet tegen booze geesten.

yōkai妖怪

zn. geest m.; spook o.

wakage若氣

(若気) zn. jeugdige geest m.; jong bloed o. ¶ 若氣の放蕩 jeugdige lichtzinnigheid; (俗) wilde haren.

urotae狼狽

zn. verwarring v. ¶ 狼狽者 iemand, die gauw de kluts kwijt raakt. ¶ うろたへる in de war zijn; de kluts kwijt zijn; tegenwoordigheid van geest verliezen; overstuur zijn.

tsureru連れる

i.w. vergezeld zijn door; in gezelschap zijn van. t.w. medenemen; meebrengen. ¶ 連れて in gezelschap van; (比例) in verhouding tot; naar mate van; (伴奏) begeleid door; in samenspel met. ¶ 世に連れ met den geest des tijds. ¶ 犬を連れて散步する met zijn hond gaan wandelen. ¶ 三味に連れて踊る dansen op de muziek van de samisen. ¶ 人智の進步に連れて naar mate de algemeene ontwikkeling voortschrijdt.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Minami Hiroshi╱De psychologie van Japanners 〈61:12-15〉南博『日本人の心理』
忍從精神を、徹底的に説いたこの修養書を、益軒は『訓』とよんだのである。ではどんな目にあっても「一體人間とはこんなものだと思い我慢して」、怒らないで居て、「得る心境達するには、どうしたらいいのか。それはあまり書いてない。とにかく我慢していればよいことがあるという、一種の結果論であって、それ以外理由はない。

Ninjū no seishin wo, tetteiteki ni toita kono shūyōsho wo, Ekiken wa, /Raku-Kun/ to yonda no de aru. De wa, donna me ni atte mo ‘ittai ni ningen to wa konna mono da to omoigamansite’, okoranaide ite, ‘raku wo eru’ shinkyō ni tassuru ni wa, dō shitara ii no ka. Sore wa amari kaite nai. Tonikaku gamanshite ireba yoi koto ga aru to yū, isshu no kekkaron de atte, sore igai ni riyū wa nai.

Het lesboek waarin Ekiken de geest van onderwerping grondig uitlegt heet /Instructies voor gemak/. Echter, wat moet je doen om voor elkaar moet krijgen dat je onder alle omstandigheden ‘dingen verdraagt met de gedachte dat mensen nu eenmaal zijn zoals ze zijn’, en zonder je op te winden een gemoedstoestand van ‘gemak bereikt’? Dat schrijft hij niet echt. Hij zegt dat je iets goeds zult hebben wanneer je op een of andere manier volhoudt - een soort redenatie die uitgaat van de uitkomst, anders dan dat is er geen verklaring.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <geest>
エスプリ esupuri (1) geest; ziel; karakter; wezen; essentie; (2) esprit; geestigheid; gevatheid; (3) ESPRIT [= 'E'uropean 'S'trategic 'P'rogramme for 'R'esearch and Development in 'I'nformation 'T'echnology]
ゴースト gōsuto (1) geest; spookverschijning; (2) dubbelbeeld; beeldschaduw (op tv); (3) Gorst
スピリット supiritto (1) geest; ziel; spirit; (2) spiritualiën; sterkedrank; alcohol
ソウル sōru (1) ziel; geest; (2) soul; soulmuziek; (3) Seoul; [Belg.N.] Seoel
ソール sōru (1) ziel; geest; (2) soul; soulmuziek
トーン tōn (1) toon; sfeer; stemming; geest; (2) toon; tint; schakering; (3) toon; timbre; toonkleur
亡霊 bōrei (1) geest van een afgestorvene; schim; [bij de oude Romeinen;verzameln.] manen; (2) geest; verschijning; apparitie; geestverschijning; spookverschijning
人気 ninki (1) populariteit; geliefdheid; gewildheid; volksgunst; (het in) trek (zijn); het getapt zijn; het gezien zijn; (2) stemming [ook op beurs;markt enz.]; luim; humeur; sfeer; geest; klimaat
剛健 gōken (1) geest- en lichaamskracht; kloekmoedigheid; manhaftigheid; flinkheid; fysieke en mentale weerbaarheid; (2) kloek van lichaam en geest; flink en kloekmoedig; manhaftig; fysiek en mentaal weerbaar
匂い nioi (1) geur; reuk; lucht; odeur; geurigheid; (2) sfeer; uitstraling; geest; [fig.] adem; [fig.] essence; [fig.] aroma; [fig.] aura; [fig.] vleugje; [fig.] tintje; (3) [m.n. van een kling] moiré tekening; gevlamd patroon
化物;化け物 bakemono (1) monster; gedrocht; monstrum; wanschepsel; spook; geest; boeman; schrikbeeld; spooksel; (spook)verschijning; apparitie; (2) duivelskunstenaar; wondermens; buitengewoon mens; levend wonder
化生 keshō (1) [boeddh.] upapāduka; aupapāduka [= rechtstreekse geboorte door metamorfose]; (2) [Zuiver Land-boeddh.] boeddha-wording in Amitābha's Zuiver Land; (3) reïncarnatie; wedergeboorte; (4) spook; geest; spookverschijning
変化 henge (1) geestverschijning; verschijning; geest; apparitie; (2) spookverschijning; spook; schim; fantoom; monster; (3) bovennatuurlijk verschijnsel; fenomeen; (4) verandering; wijziging
妖怪 yōkai geest; spook; verschijning; spookverschijning; geestverschijning; schim; fantoom
幻影 gen'ei (1) spookbeeld; waanvoorstelling; waanbeeld; verschijning; geest; geestesverschijning; schim; fantoom; visioen; hallucinatie; (2) denkbeeld; illusie; hersenschim
幽霊 yūrei geest; spook; spookverschijning; geestverschijning; schim; verschijning; fantoom
御化け obake (1) geest; spook; (2) monster; gedrocht; (3) [fig.] monster; iets buitensporig groots; (4) lompen; kapotte kleding; (5) clandestien gedrukte almanak; [meton.] venter van clandestiene almanakken; (6) [dierk.] heremietkreeft; heremiet; kluizenaarskreeft; Pagurus; (7) haardracht van vrouwen uit de Keihan-streek met oudejaar; setsubun; [i.h.b.] Japanse haardracht; haarwrong bij jonge vrouwen
心意気 kokoroiki (1) geest; karakter; mentaliteit; spirit; sentiment; (2) kleine attentie; kleinigheidje; aardigheidje; klein geschenk
心霊 shinrei (1) ziel; (2) geest; psyche
kokoro (1) geest; ziel; (2) hart; innerlijk; inborst; aard; karakter; (3) gevoel; gevoelens; emotie; sentiment; hartstocht; (4) hartelijkheid; cordialiteit; warmte; vriendelijkheid; oprechtheid; eerlijkheid; (5) sympathie; genegenheid; medegevoel; deelneming; (6) aandacht; attentie; interesse; belangstelling; (7) geheugen; memorie; herinneringsvermogen; (8) wil; wilskracht; (9) intentie; bedoeling; (10) stemming; humeur; gemoedsgesteldheid; (11) betekenis; ware betekenis; zin; antwoord; het waarom
shin (1) hart; geest; instelling; mentaliteit; [Belg.N.] ingesteldheid; (2) wezen; essentie; (3) innerlijke kracht; fut; pit; (4) [鉛筆の] stift; (5) [cul.] ongare rijstkorrel; (6) kern; diepste; (7) versteviging in kraag; obi; (8) [boeddh.] citta [= geest]; (9) [boeddh.] citta-rājan [= overkoepelende geest]; (10) [anat.] hart; hartorgaan; (11) [Chin.astron.] Hart; Xīn [= één van de achtentwintig maanhuizen]; (12) geloof; (13) [Edo-kindert.] kameraadje; vriendje; (a) hartorgaan; (b) hart; geest; (c) kern; centrum
念頭 nentō gedachte; geest; aandacht; acht
怪異 kaī (1) eigenaardigheid; merkwaardigheid; zonderlingheid; vreemdheid; wonderlijkheid; mysterie; (2) spook; geest; (3) eigenaardig; merkwaardig; zonderling; vreemd; wonderlijk; mysterieus
情調 jōchō sfeer; atmosfeer; stemming; geest
i (1) gevoel; gevoelen; betuiging; mening; gedachte; opinie; (2) voornemen; wil; zin; plan; [Belg.N.] gedacht; intentie; wens; (3) aandacht; attentie; zorg; behartiging; (4) voorkeur; zin; smaak; (5) zin; betekenis; bedoeling; teneur; strekking; inhoud; (6) goede gezindheid; genegenheid; (7) [boeddh.] geest; ziel
根性 konjō (1) karakter; aard; natuur; geest; instelling; mentaliteit; ingesteldheid; (2) lef; karakter; wilskracht; flinkheid; durf; moed; guts; [inform.] ballen
神主 shinshu (1) ziel; geest; (2) confucianistisch rouwbord; (3) shintopriester
shin (1) geest; (2) godheid; (a) godheid; (b) mysterie; bovenzinnelijke; bovennatuurlijke; (c) geest; ziel; zielenleven; (d) subliem; hemels
sora (1) lucht; luchtruim; (2) hemel; hemelruim; [form.;lit.t.] firmament; [lit.t.] hemelen; (3) [meton.] streek; oord; (4) stemming; gevoel; geest; (5) [~で] van buiten; uit het hoofd; (6) leugen; onwaarheid; valsheid; (7) onjuist …; verkeerd …; ten onrechte …; mis-; waan-; (8) geveinsd(e) …; gemaakt(e) …; voorgewend(e) …; gesimuleerd(e) …; quasi-; schijn-; pseudo-; nep-; (9) [~形容詞] danig …; behoorlijk …; zeer …
精神 seishin (1) geest; psyche; [verzameln.] zinnen; [uitdr.] de inwendige mens; (2) ziel; spirit; (3) mentaliteit; (geestes)instelling; signatuur; geesteshouding; ethos
精神の seishinno geestelijk; mentaal; geestes-; geest-; psychisch
精神的 seishinteki geestelijk; mentaal; spiritueel; geestes-; geest-; psychisch; [~愛] platonisch
精神的な seishintekina geestelijk; mentaal; spiritueel; geestes-; geest-; psychisch; [~愛] platonisch
sei (1) ziel; geest; (2) spirit; energie; fut; pit; vitaliteit; levendigheid; (3) essentie; wezen; kwintessens; (4) sperma; zaad; (5) gedetailleerd; omstandig; nauwkeurig; minutieus; (a) fijn; nauwkeurig; (b) rijst pellen; (c) raffineren; (d) puurheid; essentie; het zuiverste; (e) wezen; ziel; (f) energie; fut; pit; (g) bezieling; vuur; ijver; elan; drive
純情 junjō (1) zuiver hart; argeloos hart; rein (van) geest; onschuld; schuldeloosheid; onnozelheid; eerlijkheid; oprechtheid (des harten); naïviteit; argeloosheid; ingenuïteit; (2) onschuldig; schuldeloos; onnozel; eerlijk; oprecht; naïef; argeloos; ingénu
mune (1) borstkas; borststreek; borst; borststuk [m.betr.t. insecten]; thorax; [inform.] gemoed; (2) boezem; buste; borsten; (3) longen; (4) gemoed; geest; gevoelens; geweten; hart; hartstreek; (5) maag; maagstreek
脳裏 nōri verstand; brein; hersenen; geest; gedachten
雰囲気 fun'iki sfeer; stemming; geest; atmosfeer; [fig.] klimaat; ambiance; omgeving; milieu
rei (1) ziel; geest; (2) schim; [verzameln.] geesten der afgestorvenen; [bij de Romeinen] manen
rei (a) geest; (b) ziel; (c) geest van een dode; (d) mystiek; bovennatuurlijk
頭脳 zunō (1) brein; hersens; hersenen; (2) brein; hoofd; verstand; geest; intellect; (3) brein; knappe kop
oni (1) duivel; demon; boze geest; kwade geest; (2) geest; geestverschijning; spook; fantoom; schim; (3) schuldeiser; crediteur; (4) iemand die een passie heeft voor iets; iemand die ergens bezeten van is; enthousiast persoon; enthousiasteling; maniak; geobsedeerd persoon
ki (1) monster; demon; (2) geest; ziel; genius; [shintoïsme] kami; (3) geest der afgestorvene; [Rom.myth.] manen; Manes; (4) [boeddh.] preta; (5) [Chin.astron.] Geest; Guǐ [= één van de achtentwintig maanhuizen]; (a) geest; (b) demon; (c) [boeddh.] preta; (d) monster; gedrocht; (e) superwezen; (f) [Chin.astron.] Guǐ
魂胆 kontan (1) intrige; kuiperij; geheim plan; achterliggende bedoeling; heimelijk motief; geheime beweegreden; bijbedoeling; bijgedachte; dessous; (2) ziel; geest
tamashī (1) ziel; geest; (2) kracht; geest; pit; fut; spirit
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.56 sec. jiten.nl: 29 treffers, warandict: 45 treffers (zoekopdracht: 'geest'). 
2005-2026