日蘭辭典+

66 resultaten voor ‘oprecht’
日蘭辭典 (trefwoord)
tadashii正しい
bn. (1) [正當な] rechtvaardig; billijk. (2) [正直な] eerlijk. (3) [眞實な] waar. (4) [適當] juist. ¶ 正しい eerlijk man. ¶ 正しき語法 juist gebruik van woorden. ¶ 正しい方法 de goede manier; de ware weg. ¶ 血統の正しい van zuiver bloed.
renchoku廉直
zn. 同上. ¶ 廉直なる oprecht; betrouwbaar; eerlijk; rein.
yoi好い

bn. (1) [善良] goed. (2) [より良い] beter. (3) [美なる] mooi; fraai. (4) [好ましい] lief; aangenaam; prettig. (5) [十分] voldoende. (6) [正しい] juist; oprecht. (7) [許可] geoorloofd. i.w. (8) [構はぬ] komt er niet op aan; doet er niet toe; laat maar. ¶ 好い天氣 mooi weer. ¶ 胃によい goed voor de maag. ¶ しなくてもよい niet noodig om te doen; onnoodig. ¶ よい樣にする doen als men wil; eigen zin volgen. ¶ 外出してもよいか mag ik uitgaan? ¶ 今日來ればよいが ik hoop maar, dat hij vandaag komt. ¶ 君と一緒に行つてもよい ik heb er geen bezwaar tegen met je mee te gaan.

SUPPLEMENT (trefwoord)
matomo真面
(Tevens 正面) (na-adj, znw) (1) precies voor; precies tegenover. ¶ 太陽がまともに照り付けている。 Taiyō ga matomo ni teritsukete iru. De zon schijnt recht in mijn gezicht. (TTC) (2) rechtgeaard; deugdzaam; rechtschapen; degelijk; deugdelijk; oprecht; serieus; ernstig. ¶ まともな思想家として評価されるべきである。 Matomo na shisōka to shite hyōkasareru beki de aru. We moeten hem als een serieuze denker op waarde schatten.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <oprecht>
さっぱり sappari (1) verschrikkelijk; echt erg; (2) keurig; net; netjes; [gew.] deftig; (3) verfrist; opgefrist; opgeknapt; opgekikkerd; [i.h.b.] opgelucht [i.c.m. shita した]; (4) openhartig; vrijmoedig; oprecht; frank; rechtuit; rondborstig [i.c.m. shita した]; (5) [m.b.t. culinaria] eenvoudig; licht gekruid [i.c.m. shita した]; (6) compleet; totaal; helemaal; in het geheel; volkomen; volledig; gans [i.c.m. to と]
さっぱりした sapparishita (1) schoon; proper; net; keurig; ordelijk; (2) [性格の] openhartig; eerlijk; oprecht; rondborstig; (3) [食物の味の] eenvoudig; klassiek; gewoon
ずけずけ zukezuke onverbloemd; cru; onbewimpeld; onverholen; onomwonden; eerlijk; frank; rechtuit; openlijk; openhartig; oprecht; ronduit; zonder er doekjes om te winden; botweg; onbehouwen
ずばり zubari (1) besluitvaardig; resoluut; doortastend; flink; vastberaden; zelfverzekerd; kordaat; beslist; gedecideerd; [veroud.] geresolveerd; stellig; eens en voorgoed; voor eens en altijd; voorgoed; definitief; (2) duidelijk; eerlijk; openhartig; oprecht; rechtuit; frank; recht voor z'n raap; zonder er doekjes om te winden; direct; op de man af; à bout portant; (3) bij het rechte eind; juist [geraden]
ずばりと zubarito (1) besluitvaardig; resoluut; doortastend; flink; vastberaden; zelfverzekerd; kordaat; beslist; gedecideerd; [veroud.] geresolveerd; stellig; eens en voorgoed; voor eens en altijd; voorgoed; definitief; (2) duidelijk; eerlijk; openhartig; oprecht; rechtuit; frank; recht voor z'n raap; zonder er doekjes om te winden; direct; op de man af; à bout portant; (3) bij het rechte eind; juist [geraden]
はっきり hakkiri (1) duidelijk; klaar; goed (waarneembaar); helder; scherp (begrensd); geprononceerd; uitgesproken; niet mis te verstaan; ondubbelzinnig; vastomlijnd; scherpomlijnd; welomschreven; welomlijnd; levendig [bv. zich ~ herinneren]; exact; zeker; (2) opgewekt [van gemoed;geestesgesteldheid]; helder [van weersgesteldheid]; bestendig; (3) ronduit; oprecht; eerlijk; openhartig; open; rechtuit; rechtdoorzee; onomwonden; onverbloemd; ruiterlijk
ストレート sutorēto (1) [poker] straat; (2) [honkb.] strakke worp; (3) oprecht; eerlijk; onverbloemd; openhartig; open
フランク furanku (1) frank; oprecht; openhartig; eerlijk; rechtuit; rondborstig; (2) [gesch.] Frank; Franken; (3) Frank; Franck
一本気 ippongi (1) vastberaden; standvastig; (2) rechtgeaard; oprecht; rechtlijnig; onvervalst; echt
切なる setsunaru vurig; oprecht; hartgrondig; gemeend
切に setsuni innig; vurig; oprecht; van ganser harte; ijverig; intens; diep; nadrukkelijk; met klem
setsu (1) uit [= teken op schakelaars van elektrische apparatuur]; (2) innig; van ganser harte; met hart en ziel; vurig; dringend; oprecht; hartgrondig; gemeend; (3) duidelijk voelbaar; gevoelig; hevig; heftig; intens; (4) precair; hachelijk; penibel; kritiek; heikel; netelig; (a) snijden; (b) wrijven; over elkaar doen schuiven; (c) precies passen; (d) dringen; dringend; intens; (e) [notatiesysteem om de uitspraak van een Chinees karakter aan te geven]
剥き出しに mukidashini openhartig; eerlijk; openlijk; zonder er doekjes om te winden; oprecht; rondborstig; ongezouten; onomwonden; onverbloemd; onverholen; onverheeld; onbedekt; onbewimpeld; ronduit; rechtuit; rechtdoorzee; recht voor z'n raap
剥き出しの mukidashino (1) bloot; naakt; onbedekt; (2) openhartig; eerlijk; openlijk; oprecht; rondborstig; ongezouten; onomwonden; onverbloemd; onverholen; onverheeld; onbedekt; onbewimpeld
単刀直入 tantōchokunyū oprecht; rechtdoorzee; open; eerlijk; direct; rond; onbevangen; [inform.] straight
単刀直入な tantōchokunyūna oprecht; rechtdoorzee; open; eerlijk; direct; rond; onbevangen; [inform.] straight
単刀直入に tantōchokunyūni oprecht; open; eerlijk; direct; rond; ronduit; op de man af; rechtuit; rechttoe rechtaan; onbevangen; zonder omhaal; zonder omwegen; vierkant; platweg; à bout portant; recht voor z'n raap; zonder eromheen te draaien; de dingen bij de naam noemend; zonder omslag; zonder omwegen; [inform.] straight; [Belg.N.] vlakaf
単刀直入の tantōchokunyūno oprecht; open; eerlijk; direct; rond; onbevangen; [inform.] straight
嫌味のない iyaminonai (1) aangenaam; prettig; (2) rechtuit; oprecht; eerlijk; (3) pretentieloos; ongekunsteld; ongemaakt; naturel; (4) verfijnd; geraffineerd; beschaafd
平に hirani nederig; oprecht
律儀 richigi (1) eerlijkheid; integriteit; oprechtheid; rechtschapenheid; sinceriteit; getrouwheid; betrouwbaarheid; (2) eerlijk; integer; oprecht; rechtschapen; betrouwbaar; serieus; consciëntieus; gewetensvol; plichtsgetrouw
心底 shinsoko (1) grond van z'n hart; diepst van z'n hart; diepste van z'n gemoed; (2) oprecht; waarlijk; werkelijk; echt; hartgrondig; welgemeend
心無し kokoronashi (1) dwaas; idioot; mallerd; onnozelaar; (2) cultuurbarbaar; kunstbarbaar; lomperd; kinkel; boer; (3) onbezonnen; onverstandig; onoordeelkundig; gedachteloos; onnadenkend; onbedachtzaam; onachtzaam; achteloos; onbedacht; nonchalant; onzinnig; lichtzinnig; onvoorzichtig; roekeloos; onnozel; dwaas; mal; dom; [gew.] aalwaardig; aalwarig; (4) onattent; onhartelijk; koud; kil; onaardig; grof; onverschillig; onvriendelijk; (5) onelegant; onbevallig; smakeloos; stijlloos; onartistiek; onaantrekkelijk; prozaïsch; lomp; boers; (6) harteloos; wreed; hard; hardvochtig; meedogenloos; genadeloos; ongenadig; onmeedogend; onaandoenlijk; ongevoelig; onbarmhartig; (7) onzelfzuchtig; onbaatzuchtig; oprecht
kon (a) oprecht; hartelijk; vriendelijk; beleefd; (b) verzoek; bede
懇ろ nengoro (1) vertrouwelijke; intieme omgang; liefdesrelatie; (2) hartelijk; warm; oprecht; welgemeend; vriendelijk; sympathiek; aardig; beleefd; hoffelijk; beminnelijk; attent; lief; warmhartig; (3) vertrouwelijk; intiem; close; familiair; innig; (4) intens; fel; heftig
ton eerlijk; oprecht; verzorgd; zorgvuldig
明い akai (1) helder; licht; (2) licht; dag; klaarlicht; (3) oprecht; eerlijk; waarachtig
明け透け akesuke open; openhartig; eerlijk; rechtuit; oprecht; frank; onbewimpeld
有りの儘 arinomama (1) ware; juiste toedracht; naakte; blote feiten; de dingen zoals ze zijn; (2) [~の] onverbloemd; naakt; (3) [~に] eerlijk; oprecht; zoals het is
有りの儘に arinomamanoni zoals het is; sec; objectief; exact; precies; juist; eerlijk; ongelogen; oprecht; onverbloemd; onopgesmukt; onverholen; naakt; zonder meer; [Belg.N.;spreekt.] effenaf
有りの儘の arinomamano sec; objectief; exact; precies; juist; eerlijk; getrouw; ongelogen; oprecht; onverbloemd; onopgesmukt; onomwonden; onverholen; naakt; bloot; louter; ~ zoals het is; ~ zoals het er ligt; ~ op zichzelf; ~ zonder meer
正直な shōjikina eerlijk; oprecht; fair; waarachtig; rondborstig; ruiterlijk
正直 shōjiki (1) eerlijkheid; oprechtheid; rondborstigheid; waarachtigheid; ruiterlijkheid; (2) eerlijk; oprecht; fair; waarachtig; rondborstig; rechtdoorzee; ruiterlijk; (3) echt (waar); werkelijk; waarlijk; waarachtiglijk; heus; voorwaar; eerlijk; ongelogen; ongeveinsd; franchement; met de hand op het hart
正道 shōdō (1) rechte weg; goede weg; rechte pad; goede pad; rechte spoor; goede spoor; het pad der deugd; rechte koers; (2) [boeddh.] Lotus-soetra; (3) eerlijk; oprecht; correct
気さく kisaku (1) vrijmoedig; edelmoedig; gulhartig; openhartig; eerlijk; oprecht; (2) spontaan; ongekunsteld; pretentieloos; (3) hartelijk; goedmoedig; vriendelijk; aardig; welwillend; aimabel; vlot; joviaal
深く fukaku (1) diep; grondig; heftig; intens; erg; zeer; hartgrondig; (2) oprecht; van harte
率直 sotchoku oprecht; eerlijk; rechtuit; openhartig; frank; openlijk; vrijuit; rechttoe; rechtaan; onbevangen; onbewimpeld; onverbloemd; ongeflatteerd; ruiterlijk; onomwonden; volmondig; vrijmoedig; rechtuit; rechtdoorzee; ronduit; rondborstig; rondweg; vierkant; franchement; recht voor zijn raap
率直な sotchokuna oprecht; eerlijk; openhartig; frank; openlijk; onbevangen; onbewimpeld; onverbloemd; ongeflatteerd; ruiterlijk; onomwonden; volmondig; vrijmoedig; rondborstig
直ぐ sugu (1) eerlijk; oprecht; waarachtig; integer; fair; (2) meteen; onmiddellijk; ogenblikkelijk; direct; zo; gelijk; dadelijk; onverwijld; schielijk; in een oogwenk; in ééeen tel; [veroud.] subiet; terstond; aanstonds; [form.] fluks; prompt; acuut; stante pede; zonder verwijl; à la minute; op stel en sprong; op een-twee-drie; binnen de kortste keren; in een mum van tijd; in een wip; in een ommezien; cito; [inform.] er vlak bovenop; (3) gauw; spoedig; binnenkort; zo meteen; eerdaags; [form.] dra; [form.] eerlang [in de constructie mō sugu もうすぐ]; (4) vlak; pal; net; juist; recht
choku (1) recht; (2) rechtvaardig; (3) rechtuit; openhartig; gezellig; (4) rechtstreeks; onbelemmerd; (a) recht; (b) oprecht; echt; (c) rechtstreeks; direct; (d) meteen; onmiddellijk; dadelijk; (e) waarde; (f) dienst; dienstverlening
真っ平 mappira (1) geen sprake van; daar begin ik niet aan; mij niet gezien; dat is uitgesloten; dat weiger ik; dat wil ik niet; dat kun je begrijpen; voor geen goud; voor niets ter wereld; daar komt niets van in; [Belg.N.] daar komt niets van in huis; nee hoor; in geen geval; geenszins; ammenooitniet; ammehoela; (2) eerlijk; echt; oprecht; werkelijk; waarlijk
真っ直ぐ;真直ぐ;真っ直;真っすぐ massugu (1) rechtheid; rechte richting; (2) recht; vlak; rechtlijnig; rechtop; rechtopstaand; overeind; rechtaan; rechtaf; rechtdoor; rechtuit; rechtstreeks; direct; regelrecht; linea recta; verticaal; loodrecht; ongebogen; straal; sluik [haar enz.]; (3) oprecht; eerlijk; rechtschapen; rechtdoorzee; rondborstig; openhartig
真っ直ぐな massuguna (1) recht; vlak; rechtlijnig; rechtopstaand; rechtstreeks; direct; regelrecht; verticaal; loodrecht; ongebogen; straal; sluik [haar enz.]; (2) oprecht; eerlijk; rechtschapen; rechtdoorzee; rondborstig; openhartig
真に;実に;誠に;洵に;寔に makotoni echt; werkelijk; voorwaar; eerlijk; oprecht; waarlijk; [form.] voorzeker
真平 mahira (1) volmaakt effen; vlak; (2) eerlijk; echt; oprecht; werkelijk; waarlijk
真摯 shinshi ernstig; serieus; gemeend; oprecht; volijverig
真面目 majime (1) ernst; seriositeit; ernstigheid; graviteit; (2) oprechtheid; gemeendheid; eerlijkheid; (3) ernstig; serieus; (4) oprecht; gemeend; eerlijk; menens
真面目な majimena (1) ernstig; serieus; (2) oprecht; gemeend; eerlijk
真面目に majimeni serieus; ernstig; met ernst; nuchter; gemeend; oprecht; eerlijk
ma (1) het ware; waarheid; werkelijkheid; (2) oprecht ~; eerlijk ~; rechtvaardig ~; waar ~; (3) recht ~; juist ~; vlak ~; precies ~; exact ~; puur ~; zuiver ~; (4) gewone ~; echte ~ [prefix voor planten- en dierennamen]
硬直 kōchoku (1) stijfheid; rigiditeit; stramheid; onbuigzaamheid; (2) [geneesk.] rigor; spierstijfheid; (3) stijf; stram; rigide; onbuigzaam; (4) eerlijk; oprecht
tan (1) begin; start; aanzet; (2) [= lengtemaat voor kimonostof] ca. 11 m; (a) strakke vorm; rechtlijnig; (b) uiteinde; (c) begin; aanvang; (d) zaken; dingen; (e) waarachtig; oprecht
純情 junjō (1) zuiver hart; argeloos hart; rein (van) geest; onschuld; schuldeloosheid; onnozelheid; eerlijkheid; oprechtheid (des harten); naïviteit; argeloosheid; ingenuïteit; (2) onschuldig; schuldeloos; onnozel; eerlijk; oprecht; naïef; argeloos; ingénu
素直 sunao (1) braaf; gedwee; zoet; gehoorzaam; volgzaam; inschikkelijk; meegaand; mak; dociel; smijdig; gewillig; gezeglijk; handelbaar; zacht; zachtaardig; goedwillig; [i.h.b.] open; openhartig; eerlijk; naïef; (2) ongekunsteld; ongemaakt; ongemaniëreerd; ongedwongen; natuurlijk; oprecht; rechtuit; eenvoudig
素直な sunaona (1) braaf; gedwee; zoet; gehoorzaam; volgzaam; inschikkelijk; meegaand; mak; dociel; smijdig; gewillig; gezeglijk; handelbaar; zacht(aardig); goedwillig; [i.h.b.] open; [i.h.b.] eerlijk; [i.h.b.] openhartig; [i.h.b.] naïef; (2) ongekunsteld; ongemaakt; ongemaniëreerd; ongedwongen; natuurlijk; oprecht; eenvoudig
誠実な seijitsuna eerlijk; oprecht; gemeend; rechtschapen; integer
誠意のある seīnoaru oprecht; eerlijk; trouwhartig; getrouw; betrouwbaar
返す返す kaesugaesu (1) echt; werkelijk; enorm; uiterst; uitermate; buitengewoon; bijzonder; (2) keer op keer; telkens opnieuw; steeds weer; herhaaldelijk; bij herhaling; (3) beleefd; oprecht; gewetensvol
開けっ広げ akeppiroge (1) wijd open; wijd opengelaten; wijd openstaand; (2) open; openhartig; oprecht; rondborstig
開けっ放し akeppanashi (1) open; opengelaten; openstaand; (2) open; openhartig; oprecht; rondborstig
開け放し akehanashi (1) [foto.] [レンズの] volledige opening; (2) open; opengelaten; openstaand; (3) open; openhartig; oprecht; rondborstig
露骨 rokotsu (1) open; frank; openhartig; eerlijk; onverholen; openlijk; onverheeld; onverbloemd; onomwonden; ondubbelzinnig; oprecht; rondborstig; [~に] zonder omwegen; vrijuit; ronduit; rechtuit; platweg; [Belg.N.] vlakaf; (2) grof; rauw; plat; laag-bij-de-gronds; platvloers; onfatsoenlijk; onwelvoeglijk; [m.b.t. mop] schuin; schunnig; aangebrand; suggestief; getint; [euf.] expliciet; onvertogen; onbetamelijk; indecent; scabreus
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.45 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 62 treffers (zoekopdracht: 'oprecht'). 
2005-2026