日蘭辭典+

11 resultaten voor ‘heb’
日蘭辭典 (trefwoord)
kotowaru斷る

(断る) t.w. (1) [豫告] waarschuwen. (2) [拒絕] weigeren; afslaan. (3) [禁止] verbieden. i.w. (4) [言譯] zich excuseeren. ¶ 俥屋を斷つて下さい zeg den rikisha-man, dat ik hem niet noodig heb. ¶ 贈花の儀はお斷り申候 verzoeke geen bloemen te zenden.

kuchiza口座

zn. rekening v. ¶ 損益口座 winst en verliesrekening. ¶ 其の銀行に口座を持つて居る ik heb een rekening bij die bank.

kunimoto國許

(国許) zn. tehuis o.; geboorteplaats v. ¶ 國許から便りがあつた ik heb bericht van huis gehad.

yoi好い

bn. (1) [善良] goed. (2) [より良い] beter. (3) [美なる] mooi; fraai. (4) [好ましい] lief; aangenaam; prettig. (5) [十分] voldoende. (6) [正しい] juist; oprecht. (7) [許可] geoorloofd. i.w. (8) [構はぬ] komt er niet op aan; doet er niet toe; laat maar. ¶ 好い天氣 mooi weer. ¶ 胃によい goed voor de maag. ¶ しなくてもよい niet noodig om te doen; onnoodig. ¶ よい樣にする doen als men wil; eigen zin volgen. ¶ 外出してもよいか mag ik uitgaan? ¶ 今日來ればよいが ik hoop maar, dat hij vandaag komt. ¶ 君と一緒に行つてもよい ik heb er geen bezwaar tegen met je mee te gaan.

(1) [用事] zaken v.mv. (2) [役] dienst m.; nut o. (3) [入費] kosten m.mv. ¶ 用を達する zaak afdoen. ¶ 何御用なのですか wat is er van uw dienst? ¶ お前は用がないのか heb je niets te doen? ¶ 用に立てる gebruik maken van. ¶ 用に立つ bruikbaar zijn; nuttig zijn. ¶ 家庭用 huishoudelijk gebruik. ¶ 用を足す zijn behoeften doen. ¶ 用なき (仕事の無い) niets te doen; vrij; (不用な) onnoodig; nutteloos.

yakkai厄介

zn. (1) [面倒] last m. (2) [世話] hulp v.; steun m. ¶ 厄介になる tot last zijn; steunen op; afhankelijk zijn van. ¶ 厄介をかける last bezorgen. ¶ 厄介拂をする iets lastigs kwijtraken. ¶ 厄介な lastig. ¶ 親の厄介になる zijn ouders tot last zijn. ¶ 色々御厄介になりました neem mij niet kwalijk, dat ik u allerlei moeite veroorzaakt heb.

warui惡い

(悪い) bn. (1) [惡い] slecht; verkeerd. (2) [非道な] zondig. (3) [不法な] onwettig. (4) [邪惡な] boos; boosaardig. (5) [いたづらな] baldadig; ondeugend. (6) [不吉な] kwaad; onheilspellend. (7) [不運な] ongelukkig; (8) [有害な] schadelijk. (9) [不健全な] ongezond. (10) [醜惡な] leelijk. (11) [粗末な] grof; inferieur. (12) [腐敗せる] rot. ¶ 口が惡い schelden; kwaad spreken. ¶ 更に惡い nog erger. ¶ 最も惡い allerergst. ¶ 耳が惡い hardhoorig. ¶ 胸が惡い zich niet lekker voelen; misselijk zijn. ¶ 香が惡い stinken. ¶ 體に惡い ongezond. ¶ 惡い事 zonde; verkeerdheid; misdaad; wangedrag. ¶ 價も安いが品も惡い goedkoop en slecht. ¶ 君の方が惡い jij hebt ongelijk; het is jouw schuld. ¶ 私が惡かつた het is mijn schuld; ik heb ongelijk.

uramuうらむ

i.w. (1) [怨む] wrok koesteren; vijandig gezind zijn; t.w. kwalijk nemen; haten. (2) [憾む] betreuren; i.w. spijt hebben. ¶ 無情を怨む zich ergeren over iemand’s hardvochtigheid. ¶ 機を失したるを恨む ik heb het land, dat ik de gelegenheid voorbij heb laten gaan.

tsuiつい

bw. (1) [僅々] alleen maar; zoo juist; net; pas. (2) [圖らず] onopzettelijk; toevallig. ¶ つい先程 zoo even. ¶ つい此の近所に vlak bij. ¶ つい此間會たばかりだ ik heb hem nog pas ontmoet.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <heb>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
掴み tsukami (1) greep; graai; grabbel; (2) [ton.] aandachttrekker; gag tot het verkrijgen van iemands aandacht; welwillendheid; (3) [go-spel] ± toss; ± knobelen; ± bamzaaien [= de startspeler bepalen door te raden of iemand een even of oneven aantal schijven in een gesloten hand heeft]; (4) [hanafuda] tsukami [= alle kaarten in je hand hebben die een winnende combinatie vormen]; (5) [bouwk.] klamp; [i.h.b.] plank die de verbindingen van gevelplanken vastzet; (6) begerigheid; hebberigheid; hebzucht; heb; (7) hebzuchtig mens; graaier; (8) [Jap.gesch.] schoeier [= huisknecht die helpt bij het aan- en uittrekken van schoeisel]; (9) greep; handgreep; handvol
欲張り yokubari (1) graagte; gretigheid; begerigheid; hebberigheid; hebzucht; inhaligheid; heb; (2) hebzuchtig mens; gier; hebberd; hebber; grijper; grijpvogel; grijpduivel; grijp; (3) gretig; hebachtig; hebberig; begerig; inhalig; hebzuchtig; grijpachtig; grijperig
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.42 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 2 treffers (zoekopdracht: 'heb'). 
2005-2026