日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘woning’
日蘭辭典 (trefwoord)
ie
zn. (1) [屋] huis o.; woning v. (2) [家族] familie v. (3) [家庭] tehuis o.
shataku舍宅
zn. woning v. ¶ 舎宅料 vergoeding voor huishuur.
shataku社宅
zn. woning voor de employe’s van een firma.
shishuku止宿
zn. logies o.; nachtverblijf o. ¶ 止宿する logeeren; overnachten. ¶ 止宿人 logeergast; logé. ¶ 止宿所 logies; onderdak; woning.
yado宿

zn. (1) [住家] huis o.; woning v. (2) [宿屋] herberg v.; hotel o. (3) [良人] man m. ¶ 宿なき dakloos. ¶ 宿を取る logeeren; verblijven; wonen. ¶ 宿を貸す logies verleenen; een onderdak geven.

uchi

(内) zn. (1) [内部] binnenste o.; binnenkant o. (2) [家宅] huis o.; woning v. (3) [家族] familie v.; gezin o. (4) [夫] mijn man m. ¶ 内で thuis; binnenshuis; binnen. ¶ の中で onder; tusschen; in; te midden van. ¶ 内の者 mijn familie; mijn vrouw. ¶ 内に (在宅) thuis; in huis. ¶ の内に binnen. ¶ 今週の中に binnen deze week; van de week. ¶ 夜の中に gedurende de nacht. ¶ 時のたつ中に na verloop van tijd. ¶ 彈雨の中に onder een kogelregen. ¶ 近い中に eerstdaags; binnen kort. ¶ 若い中に in de jeugd; op jeugdigen leeftijd. ¶ 内ほどよい所はない oost west thuis best. ¶ 御主人はおうちですか is mijnheer thuis? ¶ 日の出ない中に vóór zonsopgang.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <woning>
ハウス hausu (1) huis; woning; (2) plasticfolie-kas; broeikas
マイ・ホーム maihōmu z'n eigen huis; woning; [fig.] eigen haard
住まい;住居 sumai (1) huis; thuis; woning; verblijf; verblijfplaats; woonplaats; domicilie; vestigingsplaats; woonhuis; behuizing; huizing; onderkomen; [form.] woonstede; [meton.] adres; [meton.] huisadres; (2) leven; bestaan [vaak gebruikt als suffix]
住み処 sumika (1) verblijf; verblijfplaats; woning; woonplaats; habitat; (2) hol; onderkomen; schuilplaats; [dierk.] leger
住宅 jūtaku woning; woonhuis; huis; woningpand; [verzameln.] woonvoorziening; huizing; behuizing
住居 jūkyo woonplaats; [form.] woonstede; residentie; verblijfplaats; vestigingsplaats; verblijf; behuizing; huis; woning; huizing; thuis
(1) tempel; heiligdom; (2) hal; (3) zaal; (4) [= achtervoegsel na winkel-;tempel- en gebouwnamen]; (a) imposant gebouw; (b) hal; tempel; (c) woning; (d) [= beleefdheidssuffix voor andermans moeder]; (e) ontzagwekkend en groots
taku (1) huis; thuis; woning; verblijf(plaats); woonplaats; residentie; [voorafgegaan door -san ~さん] familie ~; (2) mijn man; [i.h.b.] ons gezin [term waarmee een echtgenote haar man aanduidt]; (3) u [steeds voorafgegaan door o お]
家宅 kataku huis; woning; woonst; woonplaats; domicilie
ie (1) woning; (2) huis; behuizing; thuis; [後ろの] achterhuis; (3) huishouden; familie
uchi (1) huis; woning; (2) thuis; zijn familie; zijn verwanten
宿舎 shukusha (1) logies; nachtverblijf; logement; onderdak; verblijf; (2) huisvesting; woning
宿;屋戸;屋外 yado (1) herberg; hotel; logement; hostel; (2) onderkomen; onderdak; verblijf; verblijfplaats; logies; herberging; huisvesting; inwoning; (3) huisdeur; buitendeur; voordeur; portaal; ingang van een huis; deuropening; deurgat; (4) omgeving van de voordeur; [op de] drempel; [op de] stoep; voortuin; (5) huis; woning; domicilie; woonplaats; woonst; behuizing; (6) thuis; eigen huis; eigen haard; home; (7) heer des huizes; huisheer; mijnheer; mijn man [woord waarmee de vrouw des huizes aan haar man refereert]; (8) ouderlijk huis van een dienstbode; ouders van een huisbediende; patroon van een dienstbode; (9) verzamelpunt; trefpunt; ontmoetingspunt; verzamelplaats; ontmoetingsplaats; hol [van ontucht;gok-]; rendez-voushuis; (10) huis van bewaring te Edo; geishahuis
ko (1) toegang; toegangsdeur; deur; (2) huis; woning; gezin; (3) [ritsuryō] huishouden; huisgezin; (4) [maatwoord voor huizen;gezinnen]; (a) toegang; deur; (b) huis; gezin; (c) drankverbruik
貴殿 kiden (1) [hon.] uw verblijf; woning; (2) [hon.;♂] u
邸宅;第宅 teitaku woning; huis; villa; verblijf; optrek; [Belg.N.;niet alg.] woonst; [i.h.b.] herenhuis
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.57 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'woning'). 
2005-2026