日蘭辭典+

43 resultaten voor ‘regelen’
日蘭辭典 (trefwoord)
seiton整頓
zn. regeling v. ¶ 整頓する regelen; in orde maken; ordenen. ¶ 整頓した ordelijk net.
atoshimatsuosuru後始末をする
atsukau扱ふ
(扱う) t.w. (1) [處理] behandelen; regelen. (2) [待遇] behandelen. (3) [調停] bemiddeling verleenen.
sochi措置
zn. maatregelen m.mv.; regeling v.; stappen m.mv. ¶ 措置を取る maatregelen nemen; stappen doen; regeling treffen.
shori處理
(処理) zn. behandeling v. ¶ 處理する behandelen; afdoen; regelen.
chōsei調整
zn. regeling v. ¶ 調整する regelen. ¶ 調整器 regulateur.
chōsetsu調節
regularisatie v.; regeling v. ¶ 調節する regelen; in overeenstemming brengen; aanpassen. ¶ 調節力 aanpassingsvermogen; accomodatievermogen. ¶ 米價を調節する de rijstprijzen regelen.
kuriawase繰合せ

zn. regeling v.; arrangement o. ¶ 御繰合せ御往宅願上候 ik hoop, dat ge het zoo kunt regelen, dat ge thuis zijt.

tsukurou繕ふ

(繕う) t.w. (1) [修繕] herstellen; in orde maken; repareeren; oplappen. (2) [調裝] stellen; regelen. (3) [彌縫] goedpraten; sussen. ¶ 體裁を繕ふ den schijn bewaren. ¶ 著物を繕ふ kleeren lappen.

tsugō都合

(都合) zn. (1) [便宜] gemak o.; voordeel o. (2) [事情] omstandigheden v.mv.; situatie v. (3) [場合] gelegenheid v. (4) [機會] geschikte gelegenheid v. bw. (5) [合計] totaal. ¶ 雙方に都合が好い voordeelig voor beide partijen. ¶ 都合により wegens omstandigheden. ¶ 其の時の都合で al naar het dan uitkomt. ¶ 都合次第に zoodra het schikt. ¶ 都合を待つ goede gelegenheid afwachten. ¶ 都合惡しき ongelegen; ongunstig. ¶ 都合よき gelegen; geschikt; gunstig. ¶ 都合よく gelukkig; het trof goed, dat..... ¶ 都合する schikken; regelen; regeling treffen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <regelen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
けりを付ける keriwotsukeru ergens een punt achter zetten; er een einde aan maken; tot een eind brengen; ten einde brengen; beëindigen; besluiten; afsluiten; afronden; afmaken; [Belg.N.] gedaan maken met; settelen; afhandelen; regelen; afdoen
アレンジする arenjisuru (1) ordenen; schikken; opstellen; samenstellen; arrangeren; (2) regelen; voorbereiden; organiseren; klaarmaken; arrangeren; (3) [muz.;theat.] arrangeren; bewerken
セットする settosuru (1) in elkaar zetten; samenstellen; opbouwen; inrichten; opstellen; plaatsen; organiseren; klaarzetten; klaarmaken; bereiden; (2) [m.b.t. haar;kapsel] opmaken; [i.h.b.] watergolven; [i.h.b.] onduleren; [i.h.b.] haargolven; (3) [m.b.t. wekker;recorder enz.] zetten; afstellen; regelen; instellen; adjusteren
上げ下げする agesagesuru (1) opsteken en neerlaten; (2) prijzen en bekritiseren; (3) aanbrengen en afruimen; (4) beredderen; afhandelen; regelen; (5) in pand geven en terugnemen; (6) rijzen en dalen; [潮が] opkomen en afgaan
処す shosu (1) [人生に] zich door het leven slaan; zich door de wereld helpen; z'n draai vinden; zich schikken; inspelen; zich inpassen; (2) afhandelen; beslechten; afdoen; in orde maken; klaren; schikken; regelen; aanpakken; (3) straffen; bestraffen; tuchtigen; kastijden; (4) veroordelen; vonnissen; opleggen
処する shosuru (1) [人生に] zich door het leven slaan; zich door de wereld helpen; z'n draai vinden; zich schikken; inspelen; zich inpassen; (2) afhandelen; beslechten; afdoen; in orde maken; klaren; schikken; regelen; aanpakken; (3) straffen; bestraffen; tuchtigen; kastijden; (4) veroordelen; vonnissen; opleggen
処理する shorisuru (1) afhandelen; afdoen; afwikkelen; uitmaken; regelen; opknappen; (2) wegdoen; zich ontdoen van; verwerken; wegwerken; (3) behandelen
取り扱う toriatsukau (1) behandelen; aanpakken; doen in; verwerken; in behandeling nemen; afhandelen; regelen; uitvoeren; (2) bejegenen; behandelen; tegemoet treden; omgaan met; omspringen met; [w.g.] rondspringen met; (3) bedienen; hanteren
塩梅する anbaisuru (1) kruiden; op smaak brengen; smaak geven aan; toebereiden; (2) regelen; afstellen; aanpassen
始末する shimatsusuru (1) beheren; behandelen; afhandelen; in behandeling nemen; in orde brengen; verwerken; afdoen; regelen; voor z'n rekening nemen; behartigen; (2) zich ontdoen van; wegdoen; uit de weg ruimen; wegwerken; weggooien; (3) zuinig zijn met; sparen op; zuinig omgaan met; zuinig zijn met
定める sadameru (1) beslissen; vastleggen; [日を] prikken; bepalen; vaststellen; [veroud.] decideren; [目標を] stellen; [狙いを] aanleggen; (2) [法を] instellen; [法が] voorzien; regelen; bepalen; vaststellen; stipuleren; voorschrijven; (3) [身を] zich vestigen; zich settelen; een geregeld leven gaan leiden; (4) [天下を] tot vrede brengen; vrede doen hebben; pacificeren; [veroud.] bevredigen; [乱を] neerslaan; bedaren
宥める nadameru (1) niet aanrekenen; vergoelijken; door de vingers zien; vergeven; (2) sussen; tot bedaren brengen; kalmeren; geruststellen; apaiseren; paaien; stillen; gunstig stemmen; (3) bemiddelen; tussenbeide komen; verzoenen; (4) regelen; schikken
後始末をする atoshimatsuwosuru […の~] afhandelen; afwikkelen; afdoen; afwerken; in orde brengen; maken; regelen; opruimen
捌く sabaku (1) goed uiteenhouden; niet verwarren; in het gareel houden; (2) kundig behandelen; in; op orde brengen; handig aanpakken; klaarspelen; regelen; afhandelen; oplossen; settelen; (3) uitleggen; uiteenzetten; uit de doeken doen; (4) van de hand doen; zetten; verkopen; (5) [髪;裾を] losmaken; (6) [cul.] [鴨;魚を] in plakken; stukken snijden; voorsnijden; trancheren; scheiden; (7) zich opvallend gedragen; (8) [shōgi] [駒を] oordeelkundig verzetten; hanteren; [honkb.] [球を] fielden; (9) [遊女が] iem. als klant afwijzen; weigeren
整える totonoeru (1) in orde brengen; fatsoeneren; ordenen; fiksen; arrangeren; opmaken; gereedmaken; een goede vorm geven aan; opknappen; opkalefateren; [gew.] berechten; (2) voorbereiden; klaarmaken; bereiden; gereedmaken; [食卓を] dekken; voorzien; regelen; [資金を] werven
整理する seirisuru (1) ordenen; regelen; (rang)schikken; in orde brengen; maken; orde scheppen; brengen in; inrichten; reguleren; redderen; beredderen; arrangeren; klaren; [fig.] op een rijtje zetten; organiseren; [i.h.b.] classificeren; [journal.] persklaar maken; [journal.] redigeren; (2) stroomlijnen; efficiënter maken; orde op zaken stellen (binnen); in het reine brengen; opruimen; opknappen; aan kant maken; opredderen; schoon schip maken (met); grote schoonmaak houden; saneren; [i.h.b.] herstructureren; [i.h.b.] reorganiseren; (3) wegwerken; wegdoen; afhandelen; disponeren; beschikken; van de hand doen; zich ontdoen van; [m.b.t. boedel] liquideren; [m.b.t. schulden] afdoen; [m.b.t. schulden] vereffenen; [m.b.t. schulden] consolideren; [euf.;m.b.t. personeel] afslanken; [euf.;m.b.t. personeel] laten afvloeien; [fig.] besnoeien; [fig.] inkrimpen
斉える totonoeru ordenen; op orde stellen; zorgen dat het ordelijk verloopt; in orde brengen; regelen; opmaken; organiseren
治める osameru (1) regeren; heersen over; een land besturen; de scepter zwaaien; de scepter voeren; (2) tot rust brengen; tot vrede brengen; pacificeren; (3) regelen; in orde brengen; in orde maken; organiseren; behandelen; afhandelen; afdoen; voor elkaar krijgen; (4) beheersen; bedwingen; beteugelen; onderdrukken; betomen; intomen
済ませる sumaseru (1) afmaken; afwerken; afdoen; afronden; ten einde brengen; beëindigen; een einde maken aan; korte metten maken met; (2) betalen; voldoen; vereffenen; delgen; aflossen; afbetalen; restitueren; amortiseren; aanzuiveren; (3) zich behelpen; het moeten doen; het kunnen stellen; toekunnen; het kunnen rooien; zich redden; rondkomen met; (4) afhandelen; afwikkelen; afdoen; regelen; in orde brengen; maken; voor elkaar brengen; oplossen; zijn beslag geven; [安く~] er goedkoop afkomen
片付ける katazukeru (1) in orde brengen; opruimen; (2) wegzetten; afruimen; terugzetten; (terug) goed zetten; (3) [問題を] oplossen; [借金を] afbetalen; afdoen; afhandelen; beklinken; in orde brengen; regelen; beëindigen; afmaken; [金で] afkopen
用意する youisuru voorbereiden; maatregelen nemen; voorzieningen; voorbereidingen treffen; toebereidselen maken; zich klaarmaken; zich prepareren; voorzorgen nemen; regelen
結末をつける ketsumatsuwotsukeru afmaken; een eind maken aan; z'n beslag geven; afsluiten; besluiten; beëindigen; ten einde brengen; tot een eind brengen; settelen; afhandelen; regelen; afdoen; [Belg.N.] gedaan maken met
統制する touseisuru controleren; beheersen; regelen; onder controle houden
纏める matomeru (1) samenvatten; bundelen; samenbrengen; vergaren; verzamelen; samenbundelen; bijeenzamelen; verenen; tot één maken; bijeenbrengen; samenvoegen; [i.h.b.] compileren; (2) rangschikken; ordenen; vormgeven; (3) afdoen; afhandelen; settelen; regelen; beslechten; bewerken; afconcluderen; voleindigen; ten einde brengen; uitmaken; [i.h.b.] bijleggen; bemiddelen; tot een vergelijk brengen; tot stand brengen; beklinken; afsluiten; afronden; afwerken
ki (a) passer; (b) criterium; maatstaf; (c) regelen
規制する kiseisuru (1) regelen; reglementeren; reguleren; (2) beperken; ordenen
規定する kiteisuru regelen; bepalen; verordenen; voorschrijven; voorzien; stipuleren; bedingen; [veroud.] verordineren
調える totonoeru (1) fiksen; arrangeren; organiseren; regelen; beleggen; (2) klaarzetten; gereedzetten; beschikbaar stellen
調整する chouseisuru regelen; afstellen; reguleren; bijstellen; adjusteren; harmoniseren; coördineren; [不和を〜] bijleggen; verzoenen; [価格を〜] corrigeren; afstemmen; afpassen
調節する chousetsusuru regelen; afstellen; reguleren; bijstellen; adjusteren; instellen; [een machine enz.] stellen; justeren; [i.c.m. らじおを] afstemmen; [i.c.m. 声を] moduleren
調 chou (1) [ritsuryō] chō [= belasting in natura;bestaande uit handwerk;lokale producten e.d.]; (2) [muz.] toonaard; toonsoort; tonaliteit; (3) [gagaku] klanksoort; (4) [sugoroku] doublet [= gelijke ogen voor iedere steen]; (5) -stijl; -manier; -wijze; -register; (a) evenwicht; proportie; afstemmen; (b) tempo; stemming; (c) timbre; register; (d) [muz.] toonaard; (e) onderzoeken; (f) maken; bereiden; regelen; (g) [ritsuryō] chō-belasting
都合する tsugousuru voor elkaar brengen; regelen; ervoor zorgen; arrangeren; [inform.] fiksen; [m.b.t. geld] bijeenbrengen; [i.h.b.] voorschieten; helpen aan
首尾する shubisuru afhandelen; regelen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.42 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 33 treffers (zoekopdracht: 'regelen'). 
2005-2026