日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘nut’
日蘭辭典 (trefwoord)
muyō無用
zn. (1) [役に立たぬ事] nutteloosheid v. (2) [不必要] noodeloosheid v. ¶ 無用nutteloos; noodeloos; onnoodig; ongewenscht. ¶ 無用心配 noodelooze ongerustheid. ¶ 通行無用 ‘‘voor het verkeer gesloten’’; ‘‘afgesloten rijweg.’’ ¶ 無用の者入るべからず ‘‘geen toegang voor het publiek.’’ ¶ 御無用です ik heb niets voor u; ik kan u niet helpen; ik heb niets van u noodig. ¶ 開放無用 ‘‘deur dicht s.v.p.’’.
ikigai生甲斐
zn. nut van het leven. ¶ 生甲斐のない niet waard om te leven.
kōyō效用

(効用) zn. nut v.; nuttig effect v.; uitwerking v. ¶ 效用ある nuttig; werkzaam; deugdelijk; doeltreffend.

yūyō有用

zn. nut v.; bruikbaarheid. ¶ 有用の nuttig; bruikbaar; dienstig; waardevol.

yūeki有益

zn. nut o.; voordeel o. ¶ 有益なる nuttig; voordeelig; heilzaam.

yōto用途

zn. gebruik o.; nut o. ¶ 用途が廣い voor vele doeleinden bruikbaar; zeer nuttig.

(1) [用事] zaken v.mv. (2) [役] dienst m.; nut o. (3) [入費] kosten m.mv. ¶ 用を達する zaak afdoen. ¶ 何御用なのですか wat is er van uw dienst? ¶ お前は用がないのか heb je niets te doen? ¶ 用に立てる gebruik maken van. ¶ 用に立つ bruikbaar zijn; nuttig zijn. ¶ 家庭用 huishoudelijk gebruik. ¶ 用を足す zijn behoeften doen. ¶ 用なき (仕事の無い) niets te doen; vrij; (不用な) onnoodig; nutteloos.

yaku

zn. (1) [官職] ambt o.; post v.; betrekking v. (2) [職務] taak v.; ambtsplicht v.; functie v.; werkkring m. (3) [芝居の] rol v. (4) [效用] nut o. ¶ 役に立つ nuttig; bruikbaar; geschikt. ¶ 役に立てる nuttig gebruik maken van. ¶ 役に立たぬ onbruikbaar; nutteloos; het geeft niets. ¶ 役を勤める functie vervullen; rol spelen; dienst doen als; fungeeren als.

tsumaranai詰らない

bn. (1) [價値無き] nutteloos; waardeloos; tot niets nut. (2) [けちな] onbeduidend; mieserig. (3) [無趣味] onbelangrijk; niet interessant. (4) [馬鹿げた] dwaas; zinneloos. ¶ 詰らない奴 een vent van niets. ¶ 詰らない本 onbeduidend boek. ¶ 詰らぬ事に騷ぐ zich opwinden over een kleinigheid. ¶ 人生を詰らなく思ふ het leven moede zijn; niets meer om het leven geven.

tsukaidokoro使所

zn. gebruik o.; nut o.; dienst m. ¶ 使處がない nergens toe dienen; onbruikbaar zijn.

tsukaimichi使途

(使い道) zn. wijze van gebruik; nut o.; dienst m. ¶ 使途のある nuttig; bruikbaar. ¶ 使途が廣い voor velerlei doeleinden te gebruiken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <nut>
ユーティリティ yūtiriti (1) nut; nuttigheid; utiliteit; (2) [comp.] hulpprogramma; (3) bijkeuken; [Belg.N.] achterkeuken
ユーティリティー yūtiritī (1) nut; nuttigheid; utiliteit; (2) [comp.] hulpprogramma; (3) bijkeuken; [Belg.N.] achterkeuken
使い道 tsukaimichi (1) gebruikswijze; (2) nut; bruikbaarheid; utiliteit
atai (1) gelijkwaardig iets; equivalent; (2) prijs; geldswaarde; (3) vergoeding; loon; beloning; verloning; (4) waarde; nut; [veroud.] valeur; (5) [wisk.] waarde
利用価値 riyōkachi gebruikswaarde; nuttige waarde; bruikbaarheid; nut; nuttigheid
利益 rieki (1) winst; winstje; profijt; gewin; baten; opbrengst; vruchten; [fin.] return; verdienste; [Lat.] lucrum; (2) voordeel; nut; nuttigheid; baat; belang; [veroud.] avance; [veroud.] oorbaar
ri (1) winst; opbrengst; profijt; (2) geschiktheid; opportuniteit; (3) voordeel; nut; (4) rente; interest; intrest; (a) scherp; snedig; scherpzinnig; schrander; (b) geschikt; passend; nuttig; voordelig; (c) winst; baat; buit; (d) rente; interest
kai zin; nut; waarde; voordeel; resultaat; succes
張り合い hariai (1) wedijver; competitie; concurrentie; rivaliteit; mededinging; emulatie; ijverzucht; (2) zin; nut; waarde
toku (1) winst; gewin; baat; [Lat.] lucrum; (2) voordeel; belang; profijt; nut; (3) [boeddh.] prāpti [= handhaving van verworvenheden]; (3) winstgevend; voordelig; economisch; profitabel; profijtelijk; gunstig; lonend; lucratief; renderend; nuttig; rendabel; nut; (a) in handen krijgen; (b) verdienen; winst; (c) begrijpen
意義 igi (1) betekenis; (2) zin; nut
有効 yūkō (1) effectiviteit; geldigheid; doeltreffendheid; doelmatigheid; werkzaamheid; kracht; nut; probaatheid; (2) rechtsgeldigheid; het van kracht zijn; het vigeren; (3) [m.b.t. judo] yuko; (4) geldig; doeltreffend; effectief; werkzaam; afdoend; nuttig; probaat; (5) rechtsgeldig; geldig; van kracht; vigerend
有用性 yūyōsei bruikbaarheid; nuttigheid; nut; utiliteit
(1) nut; bruikbaarheid; dienst; (2) gebruik; (3) taak; werk; boodschap; klus; karwei; (4) kosten; prijs; uitgaven; (5) (kleine en grote) boodschap; urine en poep; (a) voor; bestemd voor; bedoeld voor; ten gebruike van; ten behoeve van; ad; in usum
甲斐 kai (1) zin; nut; waarde; voordeel; resultaat; succes; (2) [Jap.gesch.] de provincie Kai; (3) de stad Kai
eki baat; nut; voordeel; winst
(1) kunde; vermogen; macht; kunnen; kunst; [Lat.] vis; talent; (2) nut; bruikbaarheid; utiliteit; (3) no; no-theater; no-spel
kusuri (1) geneesmiddel; medicijn; medicament; artsenij; (2) scheikundige stoffen; chemicaliën; (3) glazuur; email; (4) buskruit; kruit; (5) voordeel; nut; heil; baat; goed; (6) greintje; grein; beetje; kleine hoeveelheid
kai zin; nut; waarde; voordeel; resultaat; succes
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'nut'). 
2005-2026