
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
yasejotai・瘦世帶
tsukuru・作る
t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.
SUPPLEMENT (trefwoord)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <huishouden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
一家 ikka (1) familie; de gehele familie; (2) huis; huishouden; (3) stijl
世帯 setai (1) eigendom; vermogen; fortuin; bezit; (2) huishouding; (3) huishouden; gezin; (4) levensonderhoud; het zich behelpen; (5) gezinsvader; gezinsmoeder; (6) [scheepv.] kombuis; [veroud.] kabuis; kookplaats; scheepskeuken; (7) [maatwoord voor gezinnen;huishoudens]
内政 naisei (1) binnenlandse politiek; binnenlands beleid; (2) intern bestuur; interne administratie; (3) huisbestuur; huisbestier; huishouding; huishouden
大世帯 oojotai groot gezin; huishouden
家中 uchijuu (1) de hele familie; het hele huisgezin; gezin; huishouden; gezinsverband; alle gezinsleden; (2) over het hele huis; overal in huis
家事 kaji huishouden; huishoudelijk werk; huiselijke aangelegenheden; huiselijke plichten; res familiaris
家庭 katei familie; huishouden; thuis; gezin; huisgezin
家政 kasei huisbestuur; huisbestier; huishouding; huishouden
家財 kazai (1) huisvermogen; huisfortuin; boedel; (2) huisgerei; huisgerief; huisraad; huishouden; inboedel; kateel; kateil; [pej.] kramerij
家 ie (1) woning; (2) huis; behuizing; thuis; [後ろの] achterhuis; (3) huishouden; familie
所帯 shotai (1) huishouding; huishouden; [niet alg.] menage; (2) gezinsleven; (3) gezin; huisgezin; familie; (4) vermogen; status
男所帯 otokojotai mannenhuishouding; vrijgezellenbedoening; huishouden; gezin zonder vrouwen
Tijd: 1.45 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'huishouden').
2005-2026
