日蘭辭典+

34 resultaten voor ‘gewoonte’
日蘭辭典 (trefwoord)
akushū惡習
(悪習) zn. ondeugd v.; slechte gewoonte v.
arikitari在來
(在り来たり) zn. gebruik o.; gewoonte v.; graditie; traditioneel. ¶ 在來の例を倣う de traditie volgen.
yamai
zn. ziekte v.; ongesteldheid v. (癖) slechte gewoonte v.; aanwensel o. ¶ に罹る ziek worden. ¶ が癒える herstellen; beter worden.
rei
zn. (1) [慣] gewoonte v.; gebruik o.; antecedent (前) o.; (2) [實] voorbeeld o.; illustratie v. (3) [場合] geval o. ¶ 前記の bovenstaand voorbeeld. ¶ に倣ふ voorbeeld volgen. ¶ に依っての如く zooals gewoonlijk. ¶ 引く voorbeeld aanhalen. ¶ なき nog nooit voorgekomen. ¶ gewoon; gebruikelijk. ¶ の人 de persoon in kwestie; de betrokken persoon.
kimari極まり
zn. (1) [決定] regeling v.; bepaling v. (2) [秩序] regelmaat v.; orde v. (3) [規則] regel m. (4) [習慣] gewoonte v.; gebruik o. (5) [面目] verlegenheid v.; schaamtegevoel o. ¶ 極まりのない ongeregeld; onregelmatig. ¶ 極まり文句 staande uitdrukking; afgezaagde wijze van zeggen. ¶ 極まりが悪い beschaamd zijn; zich schamen.
reiki例規
zn. regel m.; vaste gewoonte v.; adat (馬來語) m.
kozoku古俗
kuse

zn. (1) [習慣] gewoonte v. (2) [特性] eigenaardigheid v.; karaktertrek m. ¶ 癖を直す slechte gewoonte afwennen. ¶ 癖がつく zich aanwennen; de gewoonte krijgen. ¶ 癖がある gewoon zijn; gewend zijn; de gewoonte hebben. ¶ 癖直しをする zijn haar recht strijken. ¶ 癖髮 weerbarstig haar.

zokushū俗習

zn. gewoonte v.; gebruik o.

zoku

zn. (1) [區俗] gewoonte v.; gebruik o.; zede v. (2) [僧侶に對し] leekenwereld v. (3) [野卑] vulgariteit v. ¶ 俗生活 wereldschen leven. ¶ 俗な wereldsch; gewoon; vulgair; laag bij den grond; niet verheven. ¶ 俗に gewoonlijk; gewoon; vulgair. ¶ 俗になつた afgezaagd; gewoon. ¶ 俗に言へば om een gewone uitdrukking te gebruiken; zooals men gewoonlijk zegt.

tsune

zn. normale toestand m.; gewone omstandigheden v.mv. ¶ 常ならぬ ongewoon; abnormaal. ¶ 常とする er een gewoonte van maken; gewoon zijn om. ¶ 常の gewoon; normaal; gebruikelijk. ¶ 常の如く als gewoonlijk. ¶ 常に gewoonlijk; in den regel; meestal. ¶ 世の常 de menschelijke natuur. ¶ 常ならぬ身になる in gezegende omstandigheden zijn; kind verwachten.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gewoonte>
カスタム kasutamu (1) gewoonte; (2) douaneheffing; invoerrechten; [i.h.b.] douane; (3) maat-; op maat gemaakt; op bestelling gebouwd
コンベンション konbenshon (1) conventie; gewoonte; gebruik; regel; (2) conventie; bijeenkomst; congres; conferentie
rei (1) gewoonte; gebruik; praktijk; (2) usance; usantie; het obligaat-zijn; (3) waarvan; van wie gesproken wordt; iets bekends [onder gespreksgenoten]; (4) precedent; traditie; (5) voorbeeld; illustratie; geval; specimen; staaltje; proeve; exemplum; [afk.] vb.; (6) [maatwoord voor voorbeelden;illustraties]; (a) gewoonte; gebruik; vaste gebeurtenis; (b) regel; voorschrift; (c) algemeen principe; (d) voorbeeld; model
(1) regel; gewoonte; (2) zekerheid; waarheid; (3) zoals …; als …; (4) [boeddh.] samādhi [= concentratie]; (5) rustpunt waarop de pijlschacht rust; (6) hoewel; ofschoon; (a) vastleggen; vaststaan; bepaald zijn; (b) [boeddh.] samādhi
常事 jōji (1) iets alledaags; gewoons; normaals; alledaagse; gewone; normale zaak; alledaagsheid; gewoonheid; trivialiteit; (2) gewoonte; routine
常習 jōshū gewoonte; [i.h.b.] slechte gewoonte; hebbelijkheid; aanwensel; ondeugd
常習の jōshūno gewoonte-; routine-; … uit gewoonte; habitueel
常習的 jōshūteki gewoonte-; routine-; habitueel; … uit gewoonte; vast; regelmatig; verstokt; [~うそつき] gepatenteerd
常習的な jōshūtekina gewoonte-; habitueel; vast; regelmatig; verstokt; [~うそつき] gepatenteerd
常;恒 tsune (1) permanent; duurzaam; blijvend; bestendig; onveranderlijk; standvastig; (2) alledaags; gewoon; gemiddeld; (3) normaal; standaard; (4) ononderbroken; continu; (5) gewoonte; kenmerk; eigenschap; karakteristiek
慣例 kanrei gewoonte; gebruik; precedent; [w.g.] antecedent; [Belg.N.;niet alg.] voorgaande
慣習 kanshū gewoonte; gebruik; praktijk; usance; usantie; conventie; [jur.] consuetudo [gebruik waaraan rechtskracht wordt toegekend]
慣行 kankō gewoonte; gebruik; usance; usantie; traditie; staande praktijk; [Belg.N.] geplogenheid
決まり kimari (1) regeling; besluit; overeenkomst; (2) regel; reglementering; bepaling; reglement; (3) gewoonte; gebruik
約束 yakusoku (1) belofte; toezegging; z'n gegeven woord; afspraak; overeenkomst; verbintenis; engagement; akkoord; deal; pact; schikking; contract; convenant; [jur.] convenu; koop; [Lat.] pactum; (2) afspraak; afspraakje; rendez-vous; ontmoeting; date; (3) regel; conventie; gewoonte; gebruik; bepaling; voorschrift; (4) lot; noodlot; fatum; bestemming; beschikking; Gods voorzienigheid; Gods wegen; (5) bundeling; opbinding; (6) reservering van een geisha
shū (a) leren; zich eigen maken; zich gewennen; (b) gewoonte
習い narai gewoonte; gebruik; praktijk; geplogenheid; gebruikelijke wijze
習わし narawashi (1) gewoonte; zede; gebruik; praktijk; [Belg.N.] geplogenheid; usance; usantie; traditie; (2) oefening; training; (3) het aanleren; gewoontevorming; gewenning
習性 shūsei (1) [dierk.] typisch gedrag; habitus; (2) gewoonte; tweede natuur
習慣 shūkan (1) gewoonte; hebbelijkheid; aanwensel; gewendheid; [w.g.] aanwenst; (2) gewoonte; gebruik; praktijk; zede; wijze; adat; [veroud.] wijs; [w.g.] usance; [w.g.] usantie; [Lat.;studentent.] mos; [Lat.] usus
習癖 shūheki gewoonte; hebbelijkheid; tic; [悪い習癖] aanwensel; [w.g.] aanwenst; [gew.] wenst
風習 fūshū zeden en gewoonten; gewoonte; gebruik; [Belg.N.] geplogenheid
(1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht; (4) zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.58 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'gewoonte'). 
2005-2026