日蘭辭典+

18 resultaten voor ‘uitrusten’
日蘭辭典 (trefwoord)
sōchi裝置
zn. inrichting v.; installatie v.; apparaat o.; uitrusting v. ¶ 裝置する uitrusten met; aanbrengen; installeeren; monteeren. ¶ 制動機裝置 rem-inrichting; remtoestel. ¶ 水雷を裝置する mijnen leggen. ¶ 無線電信機が裝置してある uitgerust zijn met eene installatie voor draadlooze telegrafie.
tsukare
(疲れ) zn. vermoeienis v.; vermoeidheid v.; moeheid v.; afmatting v.; ¶ 疲れを休める uitrusten; op z’n verhaal komen. ¶ お疲れでしたらう u zal wel moe zijn. ¶ の疲 verveling. ¶ 疲果てる doodop zijn; doodmoe zijn; uitgeput zijn; niet meer kunnen.
kyūyō休養
zn. rust v.; recreatie v.; ontspanning v. ¶ 休養する rust nemen; uitrusten; op zijn verhaal komen; zich herstellen. ¶ 休養recreatiezaal; ontspannings-lokaal.
tsukeru附ける

(付ける) t.w. (1) [接合] bevestigen; hechten; vastmaken. i.w. (2) [裝ふ] uitrusten. t.w. (3) [尾行] volgen. (4) [値を] bieden. (5) [點火] aansteken. ¶ 身に附ける bij zich hebben. ¶ 鈕を附ける knoop aanzetten. ¶ ペン軸にペンを附ける pen in den penhouder steken. ¶ 帳面に附ける inboeken. ¶ 船を棧橋に著ける een schip langszij van de kade brengen. ¶ 煙草を附ける sigaar aansteken. ¶ 電燈を附ける licht aandraaien. ¶ 名を附ける naam geven, noemen. ¶ 人の後を附ける iemands spoor volgen. ¶ 氣を附ける aandacht vestigen; oppassen. ¶ 子供に財產を附ける kapitaal vastzetten op een kind. ¶ 道を附ける weg maken. ¶ 色を附ける kleuren. ¶ 値を附ける bieden voor.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitrusten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
一息入れる hitoikiireru een adempauze nemen; een rustpauze inlassen; ruimer adem scheppen; even rusten; eventjes pauzeren; zich een ogenblik rust gunnen; op adem komen; even uitblazen; uitrusten; herademen; op verhaal komen; vrijer ademen
休む;息む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud.;bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
休息する kyuusokusuru uitrusten
休憩する kyuukeisuru pauzeren; rusten; uitrusten; wat rust nemen; een rustpauze inlassen
休養する kyuuyousuru (1) uitrusten; rust nemen; (2) herstellen
憩う ikou rusten; pauzeren; uitrusten; (weer) op adem komen
搭載する tousaisuru aan boord nemen; laden; uitrusten; toerusten; voorzien van; equiperen; inladen; beladen; opladen; schepen
整備する seibisuru (1) (voor)bereiden; in gereedheid brengen; klaarmaken; gereedmaken; prepareren; klaarleggen; gereedleggen; klaarzetten; gereedzetten; inrichten; uitrusten; equiperen; outilleren; toerusten; uitmonsteren; voorzien (van); [i.h.b.] ontwikkelen; [m.b.t. schip] reden; [m.b.t. schip] takelen; (2) onderhouden; in goede staat houden; servicen; in conditie houden; verzorgen
装備する soubisuru uitrusten; toerusten; outilleren; equiperen; voorzien van
装着する souchakusuru bevestigen; installeren; aanbrengen; uitrusten; voorzien van; monteren
装置する souchisuru installeren; uitrusten; outilleren; inrichten
sou (1) het zich-kleden; kleding; tooi; (2) [boekdr.] band; (a) zich opkleden; zich tooien; (b) versieren; aankleden; (c) monteren; uitrusten
設える shitsuraeru (1) uitrusten; toerusten; equiperen; outilleren; van het nodige voorzien; installeren; (2) inrichten; decoreren; meubileren
静養する seiyousuru (1) uitrusten; rusten; pauzeren; ontspannen; (2) [geneesk.] herstellen; opknappen; weer op krachten komen; revalideren; recupereren; aansterken; z'n gezondheid terugwinnen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.52 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'uitrusten'). 
2005-2026