RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verstrooid>
うかうか ukauka (1) onoplettend; onachtzaam; achteloos; zorgeloos; gedachteloos; verstrooid; (2) onrustig; rusteloos; (3) nietsdoend; passief; werkeloos
うっかり ukkari verstrooid; onaandachtig; onattent; niet bij de pinken zijnd; zorgeloos; zonder er bij na te denken; gedachteloos; in een onbewaakt ogenblik
うっかりする ukkarisuru verstrooid; onaandachtig zijn; er niet bij zijn met z'n gedachten
ばらばら barabara (1) uit; van elkaar; in; aan stukken; uiteen; stuk; (2) verspreid; uiteen; verstrooid; in het rond; her en der; hier en daar; sporadisch; aan; naar alle kanten; in alle richtingen; uiteengevallen; (3) onsamenhangend; inconsistent; incoherent; divers; uiteenlopend; warrig; verward; (4) [fig.] als een regen; hagel van ~; [m.b.t. regen] pletsend; [m.b.t. regen] kletterend; (5) [m.b.t. personen] wanordelijk te voorschijn komend
ぼうっと bōtto (1) vaag; onduidelijk; schemerig; vaagjes; vagelijk; dof; schemerachtig; (2) wezenloos; suf; verdwaasd; afwezig; leeg; absent; verstrooid; afgetrokken; (3) laaiend; oplaaiend; vlammend; opvlammend
ぼさっと bosatto afwezig; verstrooid; er met z'n gedachten niet bij; suf; suffig; duf; loom; nietsdoend; passief
ぼっと botto (1) [~燃え上がる] plots oplaaiend; plots opflakkerend; (2) [~赤くなる] plots blozend; (3) wazig; nevelig; verstrooid
ぼやぼや boyaboya (1) onaandachtig; onvoorzichtig; onoplettend; verstrooid; (2) passief; nietsdoend; traag; (3) oplaaiend; (4) verward; warrig
ぼんやり bon'yari (1) afwezigheid; absentie; afgetrokkenheid; verstrooidheid; sufheid; dommel; dommeling; dommeligheid; (2) sufferd; sufkop; slaapkop; dommelaar; dromer; warhoofd; stommerd; stomkop; domoor; uilskuiken; ezel; oen; (3) wazig; schemerig; vaag; dof; onduidelijk; onklaar; gevoileerd; onhelder; troebel; doezelig; mistig; fuzzy; wollig; flou; nevelig; nebuleus; zweverig; (4) flets; suf; suffig; lusteloos; futloos; slaperig; lodderig; dommelig; (5) afwezig; afgetrokken; verstrooid; met zijn gedachten er niet bij; warrig; wezenloos; geesteloos; ongeconcentreerd; gedachteloos; onoplettend; achteloos; [i.h.b.] werkeloos; nietsdoend; passief; [Lat.] praesens absens; (6) stom; dof (van geest); bot; dom; stompzinnig; afgestompt; onbevattelijk; (7) [van markt;beurs enz.] gedrukt; flauw; slap; zwak
ぼんやりした bon'yarishita (1) verstrooid; afwezig; afgetrokken; dromerig; wezenloos; leeg; absent; uitdrukkingsloos; in gedachten verzonken; (2) vaag; onduidelijk; onbepaald; dof; wazig; schimmig; mistig; nevelig; obscuur; onomlijnd; troebel
ぽかんと pokanto (1) pats; klets; [gew.] bats; [gew.] klabots; (2) met (wijd) open mond; (3) sprakeloos; verbaasd; stomverbaasd; versteld; verstomd; verbluft; verbouwereerd; perplex; (4) verstrooid; afwezig; afgetrokken; wezenloos; verdwaasd
上の空 uwanosora (1) hogere regionen; hemel; atmosfeer; (2) onaandachtig; onoplettend; onachtzaam; afwezig; absent; afgetrokken; verstrooid; wezenloos
散漫する sanmansuru zich verspreiden; verspreid; verstrooid; uitgestrooid; rondgestrooid; uitgezaaid raken; uiteengaan
洸 kō (a) diep en uitgestrekt; (b) afwezig; verstrooid
飛び飛び tobitobi (1) her en der verspreid; verstrooid; hier en daar; (2) desultorisch; van het een op het ander overgaand; van de hak op de tak springend; onsamenhangend; er maar op los; discontinu; onsystematisch
飛び飛びに tobitobini (1) her en der verspreid; verstrooid; hier en daar; (2) desultorisch; van het een op het ander overgaand; van de hak op de tak springend; onsamenhangend; er maar op los; discontinu; onsystematisch