日蘭辭典+

6 resultaten voor 「降る」
日蘭辭典 (titelwoord)
kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

日蘭辭典 (trefwoord)
ame
zn. regen m. ¶ 通り regenbui. ¶ 大 stortregen. ¶ 大降る het stortregent. ¶ 軸を流す het regent oude wijven met klompen aan. ¶ 拳骨の een regen van vuistslagen.
ima
bw. (1) [現今] nu; thans; op ’t oogenblik; tegenwoordig; heden ten dage. (2) [直に] dadelijk; onmiddellijk. (3) [たった] zoo even; zoo juist; daar net. (4) [更に] nog; nogeens; nog meer. ¶ tegenwoordig; huidig; bestaand. ¶ から van nu af aan; voortaan; in ’t vervolg. ¶ までも tot nu toe; nog altijd. ¶ では dezer dagen; tegenwoordig; in den laatsten tijd. ¶ 迄 tot dusverre; tot nu toe. ¶ voorlopig; op het oogenblik; zooals de toestand nu is. ¶ 迄にない事件 iets, dat nog nooit is voorgekomen. ¶ かと in groote spanning. ¶ に始めぬ van ouden datum. ¶ に zoo dadelijk. ¶ に見ろ je zult het dadelijk zien. ¶ にも降りさうです het ziet er uit of het zoo dadelijk zal gaan regenen. ¶ 少し下さい geef mij nog wat. ¶ 二寸長く切って下さい snijd het twee duim langer af. ¶ 一つの方を下さい geef mij liever de andere.
yuki

zn. sneeuw v.; geraspt ijs o. ¶ 雪が降る sneeuwen. ¶ 雪に閉ぢ込められる ingesneeuwd zijn.

kuru來る
(来る) i.w. komen. ¶ 歸って來る terugkomen. ¶ ついて來る meekomen. ¶ 生れて來る ontstaan (發生); geboren worden (出生). ¶ 來る來るも elken dag. ¶ 行って來る gaan. ¶ 取って來る halen. ¶ が降って來る het begint te regenen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <降る>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
降る furu (1) [m.b.t. neerslag] uit de hemel neervallen; komen; neerdalen; vallen; (2) [雨が] regenen; [Barg.] majemen; (3) [小雨が] licht; zachtjes regenen; druppelen; motregenen; stofregenen; miezeren; [inform.] piesen; [inform.] pissen; [gew.] afsabberen; [gew.] miezelen; [lit.t.] afzijgen; [w.g.] zijgen; [arch.] neerzijgen; (4) [雪が] sneeuwen; het sneeuwt; er valt sneeuw; er is sneeuwval; (5) [霰;雹が] hagelen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.35 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 1 treffer (zoekopdracht: '降る'). 
2005-2026