
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
wakaru・解る
(解る、分かる、判る、分る) t.w. (1) [了解] begrijpen; weten; verstaan; onderscheiden; i.w. duidelijk zijn. (2) [露見する] aan den dag komen; blijken; aan het licht komen; ontdekt worden. (3) [理解がある] voor rede vatbaar zijn; intelligent zijn; royaal zijn (吝嗇でない). ¶ 意味が分る de beteekenis begrijpen. ¶ 解かって來る duidelijk worden; blijken. ¶ 解かりましたか begrijp je?; (俗) snap je? ¶ 君の言ふ事は解らない ik versta je niet; ik begrijp niet, wat je zegt. ¶ 確かな處は解かりません ik kan het niet met zekerheid zeggen. ¶ それで解った o, nu begrijp ik het. ¶ 言はんでも解かってゐる het spreekt vanzelf. ¶ 道が解かって居るか weet je den weg? ¶ あの人は譯が解ってる hij heeft gezond verstand.
wakariyasui・解り易い
bn. gemakkelijk te begrijpen; eenvoudig; duidelijk.
wakaru・解る
t.w. (1) [了解] begrijpen; weten; verstaan; onderscheiden; i.w. duidelijk zijn; i.w. (2) [曉見する] aan den dag komen; blijken; aan het licht komen; ontdekt worden. (3) [理解がある] voor rede vatbaar zijn; intelligent zijn; royaal zijn (吝嗇でない). ¶ 意味が分る de beteekenis begrijpen. ¶ 解つて來る duidelijk worden; blijken. ¶ 解りましたか begrijp je?; (俗) snap je? ¶ 君の言ふ事は解らない ik versta je niet; ik begrijp niet, wat je zegt. ¶ 確な處は解りません ik kan het niet met zekerheid zeggen. ¶ それで解つた o, nu begrijp ik het. ¶ 言はんでも解つてゐる het spreekt vanzelf. ¶ 道が解つて居るか weet je den weg? ¶ あの人は譯が解つてる hij heeft gezond verstand.
wakarinikui・解りにくい
bn. moeilijk te begrijpen; onverstaanbaar; onbegrijpelijk. ¶ 解りにくい手跡 moeilijk handschrift; onleesbaar schrift.
SUPPLEMENT (trefwoord)
hai・はい
(tussenwerpsel) (1) [reactie die instemming betuigt met een voorafgaande uiting die bevestigend is of bevestiging impliceert] ja; jawel; jazeker; ik snap het; oké; akkoord. [reactie die instemming betuigt met een ontkennende vraag] nee; dat is [niet] zo; klopt. ¶ 「分かりますか」「はい、わかります」 ‘wakarimasu ka?’ ‘hai, wakarimasu’ ‘begrijp je het?’ ‘Ja, ik begrijp het’. ¶ 「分かりませんか」「はい、分かりません」 ‘wakarimasen ka?’ ‘hai, wakarimasen’ ‘begrijp je het niet?’ ‘nee, ik begrijp het niet’. ¶ 「入ってよろしいですか」「はい、どうぞ」 ‘haitte yoroshii desu ka?’ ‘hai dōzo’ ‘mag ik binnenkomen?’ ‘ja, alsjeblieft’. ¶ 「あなた達は学生ですか」 「はい、そうです」 anatatachi wa gakusei desu ka?’ ‘hai, sō desu’ ‘zijn jullie studenten?’ ‘ja, dat klopt’. ¶ 「今日来ませんか」 「はい」 ‘kyō wa kimasen ka?’ ‘hai’ ‘komt hij vandaag niet?’ ‘nee’. ¶ 「明日も来てくれませんか」 「はい、伺います」 ashita mo kite kuremasen ka?’ ‘hai, ukagaimasu’ ‘[waarom] kom je morgen ook niet?’ ‘dat is goed, ik zal komen’. (2) [om aan te geven dat men luistert] oh?; ah; oh ja? (3) [om aan te geven dat men aanwezig is] hier ben ik! present! (4) [om de aandacht te trekken wanneer men iets wil geven of gaan zeggen of vragen] ¶ 「はい。こちらがレシートです」 hai. kochira ga reshiito desu’ ‘alstublieft, hier is uw bon’. ¶ 「はい、百円のおつりです」 hai, hyaku en no otsuri desu’ ‘alstublieft, 100 Yen wisselgeld’. ¶ 「はい、あなたの鍵です」 hai, anata no kagi desu’ ‘hier, je sleutels’. ¶ 「はい」「何ですか」 「ちょっと質問があるんですが」 ‘hai’ ‘nan desu ka’ ‘chotto shitsumon ga arun desu ga’ ‘meneer?’ ‘wat is er?’ ‘ik wil iets vragen ...’
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <begrijpen>
了 ryō (1) einde; slot; (a) eindigen; beëindigen; (b) duidelijk zijn; (c) inzien; begrijpen; verstaan
了解する ryōkaisuru (1) begrijpen; verstaan; snappen; bevatten; vatten; (2) het eens worden; zich met elkaar verstaan; elkaar vinden; tot overeenstemming komen; (3) toestaan; toestemmen in; instemmen met; goedkeuren; akkoord gaan met; bewilligen; consenteren
会得する etokusuru verstaan; begrijpen; snappen; vatten; doorgronden; beheersen
入れる ireru (1) plaatsen in; indoen; inzetten in; inbrengen in; (2) inschenken; ingieten; bijgieten; (3) toevoegen; bijvoegen; invoegen; (4) binnenlaten; laten binnenkomen; (5) [iemand;bv. patiënt;student;gast etc.] toelaten; onder zijn hoede nemen; (6) kunnen bevatten; plaats hebben voor; groot genoeg zijn voor; ruim genoeg zijn voor [een bepaald aantal personen]; (7) aanwerven; aanbrengen; in dienst nemen; ronselen; rekruteren; (8) luisteren naar [een advies;verzoek;visie van iemand anders etc.]; gehoor geven aan; (9) tolereren; dulden; aanvaarden; begrip hebben voor; begrijpen; pikken; (10) samengaan; kunnen samengaan; verenigbaar zijn; compatibel zijn; consistent zijn; (11) meerekenen; meetellen; incalculeren; inbegrepen zijn; (12) [茶;コーヒーを] maken; zetten; (13) [スイッチを] aanswitchen; aansteken; aandraaien; aanzetten; aandoen; aanknippen; in werking stellen; zetten; inschakelen
分かる wakaru (1) begrijpen; verstaan; snappen; vatten; zien; inzien; beseffen; te weten komen; beetkrijgen; er achter komen; hoogte krijgen van; er wijs uit kunnen (worden); herkennen; onderkennen; kunnen volgen; begrijpelijk zijn; zich een begrip vormen van; (2) begrip kunnen opbrengen voor; begip tonen; begripvol zijn; redelijk zijn; (3) blijken (te zijn); duidelijk worden; aan het licht komen; vinden; weten; kennen; geïdentificeerd zijn; (4) waarderen; appreciëren; gevoel hebben voor; verstand hebben van; smaken
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
受け取る;請け取る uketoru (1) ontvangen; in ontvangst nemen; aannemen; opvatten; (2) geloven; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; begrijpen; inzien
含む fukumu (1) bevatten; inhouden; insluiten; begrijpen; includeren; omvatten; behelzen; omvangen; impliceren; (2) [in z'n mond;in gedachten enz.] houden; koesteren; dragen; hebben; erop nahouden; (3) een zweem van … hebben
存じる zonjiru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
存ずる zonzuru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
察する sassuru (1) veronderstellen; vermoeden; de indruk krijgen; eruit opmaken; aannemen; achten; (2) voelen; gewaar worden; doorhebben; begrijpen; zich kunnen voorstellen; (3) meevoelen; meeleven; te doen hebben; begrip hebben voor
得 toku (1) winst; gewin; baat; [Lat.] lucrum; (2) voordeel; belang; profijt; nut; (3) [boeddh.] prāpti [= handhaving van verworvenheden]; (3) winstgevend; voordelig; economisch; profitabel; profijtelijk; gunstig; lonend; lucratief; renderend; nuttig; rendabel; nut; (a) in handen krijgen; (b) verdienen; winst; (c) begrijpen
心得る kokoroeru (1) begrijpen; verstaan; inzien; bevatten; snappen; doorzien; kunnen volgen; (2) te weten komen; vernemen; kennis nemen van; ergens achter komen; (3) beschouwen als; houden voor; veronderstellen ~ te zijn; bezien als; aanzien als; (4) goedkeuren; instemmen met; toestemmen; toestemming geven voor; akkoord gaan met; akkoord zijn met; het eens zijn met
悟る;覚る satoru (1) de spirituele verlichting bereiken; [boeddh.] satori ervaren; (2) inzien; doorhebben; beseffen; merken; vatten; begrijpen; doorzien; zich bewust zijn; zich realiseren
感じ取る kanjitoru aanvoelen; begrijpen; doorzien; beseffen
承知する shōchisuru (1) begrijpen; weten; kennen; beseffen; inzien; onderkennen; snappen; verstaan; zich bewust zijn van; (2) instemmen (met); akkoord gaan; toestemmen (in); inwilligen; ingaan op; (3) toestaan; toelaten; goedkeuren; zijn fiat; goedkeuring geven aan; accepteren; over zijn kant laten gaan; [inform.] pikken
把握する hākusuru vatten; begrijpen; snappen; bevatten; omvatten; vat krijgen op; grip krijgen op
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
捕捉する hosokusuru (1) grijpen; vangen; vatten; pakken; oppakken; gevangennemen; [レーダーで] opvangen; detecteren; (2) begrijpen; bevatten; snappen; vatten; verstaan
掴む;攫む;抓む;握む tsukamu (1) grijpen; vastgrijpen; pakken; vastpakken; aanpakken; aanvatten; vatten; beetpakken; beetgrijpen; graaien; [in uitdr.] zich vastklampen (aan); (2) vatten; [m.b.t. clou;pointe enz.] snappen; begrijpen; [de slag van iets enz.] te pakken krijgen; [機会を] aangrijpen; grijpen; bij de haren grijpen; waarnemen; [m.b.t. bewijs enz.] de hand leggen op; bemachtigen; [de waarheid enz.] achterhalen; [iems. hart enz.] winnen
汲む kumu (1) (water uit een put; een bron) putten; (water uit een put; een bron) scheppen; opscheppen; ophalen; (met een lepel; een spaan; etc.) uitlepelen; lepelen; oppompen; pompen; leegpompen; [酒;茶を] schenken; (2) (iemands gevoelens; denkwijze; redenering; etc.) begrijpen; snappen; meevoelen; sympathie hebben voor; zich in de gevoelens van een ander inleven; (iemand) volgen; iets in aanmerking nemen
理解する rikaisuru (1) begrijpen; verstaan; bevatten; snappen; vatten; aanvoelen (dat); beetkrijgen; (2) begrip hebben voor; kunnen begrijpen; zich kunnen inleven in
看破する kanpasuru doorzien; doorhebben; begrijpen
知る;識る shiru (1) kennen; weten; bekend zijn met; weet hebben van; [veroud.] kundig zijn van; (2) beseffen; zich realiseren; (zich) bewust zijn (van); erkennen; inzien; begrijpen; gewaarworden; ontdekken; aan de weet komen; snappen; (3) ondervinden; ervaren; leren kennen; (be)merken; bespeuren; voelen; [i.h.b.;bijb.] bekennen; (4) enig idee; vermoeden hebben; eruit opmaken; afleiden; [form.] bevroeden; (5) te maken hebben met; bemoeienis hebben met; aangaan
納得する nattokusuru (1) instemmen (met); toestemmen (in); aanvaarden; aannemen; accepteren; goedvinden; [veroud.] bewilligen; zich laten welgevallen; (2) verstaan; begrijpen; genoegen nemen met
解す kaisu (1) begrijpen; verstaan; bevatten; snappen; vatten; hoogte krijgen van; doorgronden; doorzien; (2) opvatten; interpreteren; uitleggen; verklaren; duiden
解す gesu (1) begrijpen; verstaan; snappen; vatten; inzien; (2) begrijpen; verstaan; snappen; vatten; inzien; (3) oplossen; losmaken; (4) ontslaan; ontbinden; ontheffen; (5) aan een hogere instantie voorleggen
解 kai (1) uitleg; interpretatie; (2) [wisk.] oplossing; (3) antwoord; (4) [Kanbun] verweerschrift; apologie; (a) in stukken vallen; uit elkaar vallen; (b) vrijlaten; losmaken; opheffen; (c) toelichten; uitleggen; (d) begrijpen; inzien; (e) mening; idee; excuus; (f) verzoening
認識する ninshikisuru (1) erkennen; herkennen; (2) waarnemen; begrijpen; percipiëren; inzien
誤認する goninsuru miskennen; misvatten; foutief beoordelen; verkeerd inschatten; begrijpen; opvatten; taxeren
諦観する teikansuru (1) doorgronden; in z'n essentie doorzien; inzien; begrijpen; vatten; [lit.t.] doorschouwen; (2) berusten in; zich schikken in; zich neerleggen bij; het filosofisch opnemen
飲み込む nomikomu (1) slikken; inslikken; doorslikken; binnenkrijgen; opdrinken; indrinken; (2) opslokken; verzwelgen; verslinden; (3) [in de geest] opnemen; begrijpen; vatten; bevatten; snappen; verstaan; (4) [fig.] doorslikken; inslikken; verbijten; afbijten; onderdrukken
Tijd: 1.17 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'begrijpen').
2005-2026
