
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kimari・極まり
sorou・揃ふ
(揃う) i.w. (1) [一致] het eens zijn; overeenstemen. (2) [集る] vergaderen; bijeenkomen. (3) [整ふ] volledig zijn; geordend zijn; in orde zijn. ¶ 揃った compleet; volledig; geordend. ¶ 揃はぬ onvolledig; niet compleet; niet in orde. ¶ 人數は皆揃ひましたか zijn wij compleet? zijn wij voltallig? ¶ 兄弟三人揃ひも揃って alle drie broers; de broers, alle drie.
kuruu・狂ふ
(狂う) i.w. (1) [氣が] dol worden; gek worden; krankzinnig worden; het hoofd kwijt zijn. (2) [亂暴] woest zijn. (3) [不整] in de war zijn; niet in orde zijn. (4) [調子が] ontstemd zijn.
kyōsei・矯正
zn. hervorming v.; verbetering v. ¶ 矯正する hervormen; verbeteren; in orde maken. ¶ 矯正院 verbeterhuis. ¶ 矯正術 heilgymnastiek.
kyōdan・敎團
(教団) zn. broederschap v.; orde v.; monnikenorde v.
zuihōsho・瑞寶章
(瑞宝章) zn. Orde van den Heiligen Schat.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <orde>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アルファベット順 arufabettojun (1) alfabetische volgorde; orde; (2) [~の] alfabetisch; alfabetisch gerangschikt; gealfabetiseerd; (3) [~に] in alfabetische volgorde; orde; alfabetisch gerangschikt
オーダー oodaa (1) orde; (2) bestelling; order
コース koosu (1) route; reisweg; vaarweg; koers; (2) koers; beleid; politiek; policy; (3) volgorde; rangorde; orde; rangschikking; (4) [sportt.] baan; piste; (5) cursus; studiecursus; leergang; (6) gang; onderdeel van een maaltijd; onderdeel van een menu; (7) [maatwoord voor banen;pistes]
体制 taisei (1) systeem; stelsel; regime; (2) (gevestigde) orde; bestel; establishment; bewind; bedeling; (3) anatomie; anatomische bouw; structuur
修道会 shuudoukai [r.-k.] orde; kloosterorde; monnikenorde; congregatie
勲章 kunshou (1) onderscheiding; decoratie; medaille; ereteken; ordeteken; penning; versiersel; (2) orde
勲 kun onderscheiding; ereteken; orde
序 jo (1) orde; schikking; voorrang; (2) voorwoord; woord vooraf; inleiding; voorbericht; prolegomena; intro; (3) begin; start; opening; aanvang; beginstadium; aanvangsstadium; voorstadium; (4) [Jap.stijll.] jokotoba; (5) [nō-toneel] introductie; [theat.] voorstukje; lever de rideau; (6) afscheidsrede; (a) orde; schikking; (b) begin; start; (c) voorwoord
序列 joretsu rangorde; rang; orde; hiërarchie; pikorde; volgorde
手順 tejun (1) volgorde; orde; (2) plan; schikking; regeling; voorzorgen; (3) procédé; methode; procedure; werkwijze
整頓 seiton orde
次元 jigen (1) [nat.] dimensie; afmeting; (2) [wisk.] dimensie; dimensionaliteit; (3) aspect; dimensie; perspectief; niveau; orde
番 ban (1) volgorde; rangorde; orde; plaatsing (in een volgorde); plaats; (2) beurt; speelbeurt; (3) nummer; nr.; (4) wacht; het waken; het oppassen; bewaking; hoede; uitkijk; waak; [arch.] wake; (5) dienst; werkbeurt; (6) wacht; bewaker; hoeder; wachter; oppasser; (7) partij; spel; wedstrijd; rondje; potje
秩序 chitsujo orde
規律 kiritsu (1) orde; discipline; inachtneming; naleving; (2) reguleringen; wetten; regels
訓練 kunren (1) oefening; training; scholing; (2) tucht; discipline; orde; (3) dril; exercitie; militaire bewegingsoefening; strenge opleiding
階級 kaikyuu (1) klasse; stand; (2) rang; orde
静粛 seishuku (1) rust; kalmte; stilte; orde; (2) rustig; kalm; stil; ordelijk
順序 junjo (1) orde; volgorde; (2) voorgeschreven verloop; procedure
順番 junban (1) beurt; toerbeurt; tijd; (2) orde; volgorde; rangorde
順 jun (1) orde; volgorde; rangorde; (2) gewone; reguliere orde; juiste volgorde; (3) volgzaam; gedwee; mak; meegaand; dociel; gewillig; inschikkelijk; gehoorzaam; gezeglijk; onderdanig; soumis
類 rui (1) soort; ras; (2) weerga; gelijke; partuur; (3) [dierk.] klasse; orde
Tijd: 1.41 sec. jiten.nl: 13 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'orde').
2005-2026
