日蘭辭典+

50 resultaten voor ‘schijn’
日蘭辭典 (trefwoord)
seken世間
zn. de wereld v.; het publiek o.; de menschen m.mv.; gezelschap o. ¶ 世間通 man van de wereld. ¶ 世間竝の gewoon; gebruikelijk; conventioneel. ¶ 世間話 babbeltje; praatje over koetjes en kalfjes. ¶ 世間の人が言ふ men zegt. ¶ 世間に voor de wereld; in het publiek. ¶ 世間嫌ひ walg van de wereld; menschenhaat. ¶ 世間竝 ’swerelds loop; gewone gang van zaken. ¶ 世間schijn; aanzien voor de wereld. ¶ 世間體を飾る den schijn ophouden. ¶ 渡る世間overal. ¶ 世間世間 laat de menschen toch praten!
hyōmen表面
zn. oppervlakte v.; buitenkant (側面) m.; voorkant (前側) m.; bovenkant (上面) m. ¶ 表面oppervlakkig; schijnbaar; blijkbaar. ¶ 表面上 voor den vorm; voor den schijn; oppervlakkig beschouwd.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
gaiken外見

zn. uiterlijk; schijn m. ¶ 外見より判斷すれば naar het uiterlijk te oordeelen; oogenschijnlijk. ¶ 外見上 oogenschijnlijk.

yūmei有名

zn. beroemdheid v.; faam v. ¶ 有名な beroemd; bekend; befaamd. ¶ 有名な泥棒 beruchte dief. ¶ 有名無實 naam zonder werkelijkheid; schoone schijn. ¶ 有名無實の nominaal; alleen maar voor den schijn.

uwamuki上向

zn. (1) [外見] uiterlijk o.; voorkomen o.; schijn m. (2) [相場の] neiging tot stijgen. ¶ 上向の naar boven gericht; (外見) uiterlijk; schijnbaar; stijgend (相場). ¶ 上向の鼻 wipneus. ¶ 上向く neiging vertoonen tot stijgen; oploopen. ¶ 景氣が上向きになつて來た de economische toestand begint er hoopvoller uit te zien.

uwabe上邊

(上辺) zn. buitenkant m.; oppervlakte v.; uiterlijk o. ¶ 上邊を飾る goed voorkomen geven; den schijn redden. ¶ 上邊の uiterlijk; schijnbaar; aan de oppervlakte; voor den schijn. ¶ 上邊だけの友達 een vriend in schijn.

tsukurou繕ふ

(繕う) t.w. (1) [修繕] herstellen; in orde maken; repareeren; oplappen. (2) [調裝] stellen; regelen. (3) [彌縫] goedpraten; sussen. ¶ 體裁を繕ふ den schijn bewaren. ¶ 著物を繕ふ kleeren lappen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
gaiken外見

(平板型)

  1. Hoe iets of iemand er aan de buitenkant uitziet; wat zichtbaar is; uiterlijk; voorkomen; schijn.
  2. Wat iemand toont,; hoe iemand zich toont naar anderen toe.

¶ もっと(ね)みんな(ね)外見にこだわってもいいと思ってるんですよ。 Ik vind dat iedereen wat meer aandacht zou moeten besteden aan hun uiterlijk.

外見上 gaikenjou (平板型) wat het uiterlijk betreft; de oppervlakte; ogenschijnlijke verschijning.

¶ 人間との差はほとんどなく外見上は全く見分けがつかない。Er is amper verschil met mensen en qua uiterlijk is er absoluut geen onderscheid te maken.

[bron: YouTube]
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schijn>
えせ ese (1) schijn-; pseudo-; nep-; gewaand; onecht; vals; zogenaamd; soi-disant; would-be; gesimuleerd; voorgewend; geveinsd; quasi-; (2) minderwaardig; waardeloos
上っ面 uwattsura (1) uitwendige; buitenzijde; exterieur; (2) schijn; voorkomen; façade
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
上面 uwatsura (1) uitwendige; buitenzijde; exterieur; (2) schijn; voorkomen; façade
仮象 kashō (1) schijnbeeld; bedrieglijk beeld; (2) schijn
仮面 kamen (1) masker; mom; gezichtsmasker; mombakkes; [veroud.] momaanzicht; [veroud.] grijns; [Barg.] schiebaart; (2) [fig.] schijn; mom; bedrieglijk voorkomen
kari (a) provisorisch; voorlopig; tijdelijk; van tijdelijke aard; nood-; interim-; overgangs-; vervang-; (b) onecht; inauthentiek; schijn-; pseudo-; (c) hypothetisch; aangenomen
ke (1) [boeddh.] prajñāpti; upacāra; (a) iets voorlopigs; tijdelijks; schijn; fictie; (b) [boeddh.] afwezigheid van substantie; realiteit; (c) verlof; tijdelijke rustperiode
伊達 date (1) vertoon; schijn; show; praal; bluf; affectatie; (2) smaak; verfijning; stijl; elegantie; sofisticatie; sophistication; (3) zwier; branie; (4) Date; (5) stijlvol; elegant; verfijnd; chic; deftig; gedistingeerd; geraffineerd; (6) dandyachtig; fatterig
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
gi (1) schijn; bedrog; (2) [log.] onwaarheid; (a) namaak; nep; imitatie; vervalsing
nise (1) namaak; namaaksel; imitatie; vervalsing; falsificatie; nep; neppertje; counterfeit; [~の] onecht; vals; nagemaakt; (2) namaak-; imitatie-; kunst-; fake-; vervalst; (3) pseudo-; schijn-; zogenaamd; zwendel-
光沢 kōtaku glans; schijn; weerschijn; glazuur; lustre; gloed; [w.g.] polijst
chiri (1) stof; (2) vuil; vuilnis; afval; rommel; troep; prullen; rotzooi; (3) onzuiverheid; onreinheid; vuilheid; smet; bederf; ontaarding; (4) zeer geringe hoeveelheid; greintje; schijn; morzel
外見 gaiken uiterlijk; uitwendig voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外見 sotomi uiterlijk; voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外観 gaikan uiterlijk; voorkomen; schijn; aanschijn; uiterlijke gedaante; uitwendigheid; uiterlijkheid; buitenaanzicht; aanzien; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
形だけの katachidakeno pro-forma-; … voor de vorm; schijn; formeel; vormelijk; oppervlakkig; symbolisch; excuus-
形式 keishiki (1) vorm; (2) uiterlijk; uiterlijke gedaante; uiterlijke vorm; uiterlijke verschijning; schijn; (3) formaliteit; conventie; omgangsvorm; procedure; (4) (in de kunst) formalisme; (in de kunst) het nadruk leggen op de uiterlijke vorm; (5) (in de filosofie) een idee; (in de filosofie) een vorm
kage (1) licht; schijn; maneschijn; (2) schaduw; silhouette; (3) figuur
振り furi (1) zwaai; slingerbeweging; slag; (2) voorkomen; schijn; allure; uiterlijkheid; show; (3) pose; air; lichaamshouding; houding; postuur; (4) hangend gedeelte van een wijd uitlopende kimonomouw
明かり akari (1) licht; schijn; schijnsel; (2) lamplicht; lamp; verlichting; (3) klaarte; helderheid; (4) opheldering; bewijs; blijk; (5) einde; slot; (6) [timmerlui-jargon] oog; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; [volkst.] doppen
様子 yōsu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
様;状 sama (1) voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden; (2) -elings; -waarts [drukt een richting;oriëntatie uit]; (3) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix;voorafgegaan door een naam;titel;status e.d.]; (4) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (6) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]
模擬 mogi imitatie; simulatie; nabootsing; schijn-
気配 kehai (1) teken (dat een persoon gewaarwordt in zijn omgeving); indicatie; symptoom; (2) blijk; schijn; uiterlijk; (3) voorteken; omen; (4) gedrag; optreden; houding
ke (1) tendens; karakter; (2) zweem; air; spoor; teken; (3) stemming; mood; (4) weersgesteldheid; (5) kwaal; (6) aanstalten tot bevallen; [i.h.b.] wee; [~が付く] in de kraam komen; (7) [aangehecht aan werkwoorden en keiyōshi] onbestemd; vaag; (8) [aangehecht aan keiyōshi;werkwoorden en keiyōdōshi] er de schijn van hebben dat …; (9) [aangehecht aan naamwoorden;de ren'yōkei van werkwoorden en de stam van keiyō(dō)shi] -achtig; zwemend naar; (a) gas; (b) gevoel; stemming; (c) schijn; indruk; air; (d) kwaal
(1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport; (4) -brief; (5) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~
狂言 kyōgen (1) [Jap.ton.] kyōgen [= tussen nō-stukken opgevoerde klucht;komisch tussenspel]; (2) [i.h.a.] toneelstuk; toneelspel; stuk; spel; drama; voorstelling; opvoering; (3) schijnvertoning; bedotterij; komedie; schijn; veinzerij; misleiding; bedrog; doorgestoken kaart; opgelegd pandoer; afgesproken zaak; werk; [Belg.N.] opgezet spel; [gew.] opgemaakt spel; [gew.] noten met gaatjes; [gew.;w.g.] bestoken werk; [veroud.] gemaakte mouw
申し分け;申し訳;申分;申訳 mōshiwake (1) excuus; excuses; verontschuldiging; rechtvaardiging; verschoning; (2) aftreksel; surrogaat; pro forma-; schijn-
疑似 giji pseudo-; schijn-; quasi-; schijnbaar; para-
sora (1) lucht; luchtruim; (2) hemel; hemelruim; [form.;lit.t.] firmament; [lit.t.] hemelen; (3) [meton.] streek; oord; (4) stemming; gevoel; geest; (5) [~で] van buiten; uit het hoofd; (6) leugen; onwaarheid; valsheid; (7) onjuist …; verkeerd …; ten onrechte …; mis-; waan-; (8) geveinsd(e) …; gemaakt(e) …; voorgewend(e) …; gesimuleerd(e) …; quasi-; schijn-; pseudo-; nep-; (9) [~形容詞] danig …; behoorlijk …; zeer …
花;華 hana (1) bloem; bloesem; [fig.] blom; [uitdr.] Flora's kinderen; (2) kersenbloesem; (3) fleur; het beste (in zijn soort); keur; puik; crème de la crème; het neusje van de zalm; je van het; [fig.] koningin [bv. van het bal enz.]; (4) [fig.] ziel; wezen; essentie; kwintessens; (5) [fig.] (vergankelijke) schoonheid; schijn; (6) fooi (voor geisha); douceur; (7) ikebana; bloemsierkunst; (8) speelkaart (met bloemmotief); figuurkaart; [meton.] plaatje
表向き omotemuki (1) uiterlijk voorkomen; schijn; (2) ogenschijnlijk; schijnbaar; in schijn; kwansuis; (3) officieel; formeel; pro forma; for the record
見せ掛け misekake (1) voorkomen; uiterlijk; aanschijn; aanzien; [Belg.N.;niet alg.] uitzicht; (2) schijn; show; het voordoen; komedie; veinzerij; huichelarij; geveins; gehuichel; schijnvertoning; het doen alsof
見せ掛けの misekakeno schijnbaar; ogenschijnlijk; schijn-; pseudo-; voorgewend; gespeeld; gesimuleerd; geveinsd; gehuicheld; huichelachtig
見た目 mitame aanblik; gezicht; schijn; uiterlijk
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
見栄 mie vertoon; show; schijn; uiterlijk; sier; ostentatie; ijdelheid
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.06 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 41 treffers (zoekopdracht: 'schijn'). 
2005-2026