RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stellen>
主張する shuchōsuru (met klem) beweren; asserteren; claimen; stellen; aanvoeren; poneren; volhouden; erop staan; betogen; insisteren; staande houden; eropna houden; verdedigen; bepleiten; voorstaan; huldigen; [Belg.N.] vooropstellen; [i.h.b.] benadrukken; [i.h.b.] beklemtonen; [i.h.b.] de nadruk leggen op
乗せる;のせる noseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk;complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per)
付す fusu (1) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; aanvoegen; voegen; [制限;条件を] stellen; [傍線を] zetten; (2) uitreiken; verstrekken; (3) verwijzen naar; doorsturen naar; voorleggen aan; [印刷に] toevertrouwen aan; [忘却に] prijsgeven aan
代用する daiyōsuru substitueren; vervangen; in de plaats gebruiken; stellen
作動させる sadōsaseru doen werken; doen draaien; doen lopen; doen functioneren; starten; in beweging zetten; brengen; aan de gang brengen; helpen; in werking brengen; zetten; stellen; activeren; actueren; aandrijven; drijven
報じる hōjiru (1) terugdoen; belonen; vergelden; beantwoorden; terugbetalen; (2) wraak nemen; wreken; vergelden; betaald zetten; (3) berichten; melden; laten weten; op de hoogte brengen; stellen; aankondigen; rapporteren; meedelen; bekendmaken; informeren; inlichten
報ずる hōzuru (1) terugdoen; belonen; vergelden; beantwoorden; terugbetalen; (2) wraak nemen; wreken; vergelden; betaald zetten; (3) berichten; melden; laten weten; op de hoogte brengen; stellen; aankondigen; rapporteren; meedelen; bekendmaken; informeren; inlichten
報知する hōchisuru inlichten; op de hoogte brengen; stellen; informeren; berichten; in kennis stellen; laten weten; [hand.] adviseren
定める sadameru (1) beslissen; vastleggen; [日を] prikken; bepalen; vaststellen; [veroud.] decideren; [目標を] stellen; [狙いを] aanleggen; (2) [法を] instellen; [法が] voorzien; regelen; bepalen; vaststellen; stipuleren; voorschrijven; (3) [身を] zich vestigen; zich settelen; een geregeld leven gaan leiden; (4) [天下を] tot vrede brengen; vrede doen hebben; pacificeren; [veroud.] bevredigen; [乱を] neerslaan; bedaren
常とする tsunetosuru de gewoonte hebben te; gewoon zijn te; gewend zijn te; plegen te; een gewoonte maken van; zich aanwennen; als regel aannemen; stellen
恩返しをする ongaeshiosuru een tegengunst; wedergunst; tegendienst; wederdienst bewijzen; een tegengebaar maken; stellen; iemands goedheid beantwoorden
想定する sōteisuru veronderstellen; stellen; onderstellen; aannemen
懸ける kakeru (1) op het spel zetten; tot inzet maken; inzetten; verwedden; wagen; riskeren; (2) [賞金を] uitloven; (3) [望みを] stellen
手に入れる tenīreru (1) in handen krijgen; zich toe-eigenen; tot zijn eigendom maken; in bezit nemen; aannemen; aanvaarden; verwerven; bekomen; behalen; [i.h.b.] op de kop tikken; (2) naar z'n hand zetten; stellen; om de vinger winden; (als een marionet) bespelen
投げ掛ける nagekakeru (1) gooien; werpen; smijten naar; toegooien; toewerpen; toesmijten; (2) [身を] zich aandrukken tegen; zich werpen op; (3) [影を] afwerpen; (4) [視線を] werpen op; toewerpen; (5) [疑問を] uiten; in twijfel trekken; [問題を] stellen; veroorzaken; (6) [衣類を] snel aantrekken; aanschieten
拘禁する kōkinsuru arresteren; in arrest nemen; in arrest stellen; in hechtenis nemen; houden; in verzekerde bewaring nemen; stellen; aanhouden; vasthouden; opsluiten
据える;居える sueru (1) plaatsen; installeren; zetten; leggen; stellen; (2) bevestigen; monteren; vastzetten; (3) een functie doen innemen; plaats doen nemen; installeren; bevestigen; aanstellen als; benoemen tot; (4) [目を] vestigen op; fixeren op; concentreren op; [度胸を] vatten; verzamelen; scheppen; [腰を] toeleggen; [腹を] bepalen; besluiten
推定する suiteisuru schatten; ramen; begroten; taxeren; gissen; aannemen; assumeren; vermoeden; veronderstellen; presumeren; stellen; prognosticeren (op)
提出する teishutsusuru indienen; voorleggen; inleveren; aanhangig maken; afgeven; overgeven; ter hand stellen; bieden; [m.b.t. mening] naar voren brengen; opperen; [bewijsstukken enz.] voorbrengen; [m.b.t. klacht] inbrengen; [m.b.t. klacht] neerleggen; [m.b.t. bewijs] aanvoeren; [m.b.t. ontslag] aanbieden; [m.b.t. oplossing] aandragen; [m.b.t. verzet;protest] aantekenen; [jur.;stukken enz.] produceren; [jur.] exhiberen; [jur.] overleggen; [jur.] deponeren; [m.b.t. probleem] stellen
操る ayatsuru (1) hanteren; manoeuvreren; werken met; (2) bedienen; besturen; [m.b.t. paard enz.] mennen; (3) manipuleren; bespelen; bewerken; naar zijn hand zetten; stellen; machineren
案内する annaisuru (1) gidsen; leiden; geleiden; begeleiden; loodsen; de weg wijzen; rondleiden; voorgaan; escorteren; brengen naar; voeren naar; (2) berichten; inlichten; informeren; op de hoogte brengen; stellen; in kennis stellen; (3) uitnodigen; nodigen; noden; [arch.] uitnoden; [form.] inviteren; vragen
立てる tateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画;規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気;煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門;戸;雨戸;障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; (8) enthousiast …; geestdriftig … [aangesloten op de ren'yōkei]
置く;措く;擱く oku (1) plaatsen; zetten; leggen; stellen; installeren; (2) laten liggen; achterlaten; (3) laten; zo laten; toelaten; toestaan; (4) oprichten; vestigen; instellen; stichten; grondvesten; openen; houden; (5) bewaren; opslaan; stockeren; conserveren; houden; een voorraad vormen; (6) (措く) uitzonderen; terzijde leggen; (7) erbij laten; er zich verder niet meer mee bemoeien; (8) tewerkstellen; werk geven; in dienst hebben; [bedienden] houden; (9) huisvesten; logeren; logies verlenen; (10) aanstellen als; [een persoon] in een zekere functie plaatsen; benoemen; (11) [soldaten] posteren; legeren; plaatsen; opstellen; (12) een tussenruimte laten; een tijdsinterval laten; tijd tussen laten; afscheiden; op een afstand houden [zie ook het suffix -oki 置き]; (13) verpanden; belenen; in onderpand geven; (14) [m.b.t. een laagje goud;zilver etc.] voorzien; beleggen; bekleden; vergulden; verzilveren; (15) [m.b.t. dauw;rijp;rijm;nachtvorst etc.] zich vormen; (16) iets op voorhand doen; iets alvast doen [na een て-vorm van een werkwoord]; (17) (擱く) stoppen met schrijven; de pen neerleggen; een brief afsluiten
言い張る īharu (erop) aandringen; insisteren; volharden; volhouden; vasthouden; staande houden; erbij blijven; stellen; persisteren bij
設定する setteisuru instellen; vestigen; oprichten; stichten; [状況を] poneren; stellen; [comp.] configureren
調節する chōsetsusuru regelen; afstellen; reguleren; bijstellen; adjusteren; instellen; [een machine enz.] stellen; justeren; [i.c.m. ラジオを] afstemmen; [i.c.m. 声を] moduleren
載せる noseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; beladen; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk;complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per); (7) [een advertentie in de krant enz.] zetten; plaatsen; opnemen; publiceren; optekenen; vermelden; te boek stellen
述べる;宣べる;陳べる noberu verklaren; vermelden; noemen; zeggen; uiten; geven; uiteenzetten; stellen; [z'n gedachten enz.] uitdrukken; [z'n medeleven enz.] betuigen; onder woorden brengen; aangeven; verslag uitbrengen; melden; uitspreken; [de waarheid enz.] spreken; vertellen; [omstandig;in het kort enz.] verhalen; gewagen
追い遣る oiyaru (1) wegjagen; verdrijven; uitdrijven; verdringen; wegsturen; wegbonjouren; eruit sturen; bonjouren; de deur wijzen; terzijde schuiven; stellen; (2) drijven in; brengen tot; dwingen; aanzetten tot; aandrijven tot; aansporen tot
逃げ出す nigedasu (1) ontvluchten; ervandoor gaan; weglopen; zich uit de voeten maken; de plaat poetsen; de benen nemen; het hazenpad kiezen; (2) beginnen te vluchten; beginnen weg te lopen; het op een lopen zetten; [veroud.] stellen; op de vlucht slaan; op de loop gaan
遣っ付ける yattsukeru (1) verslaan; overwinnen; afmaken; uitschakelen; vellen; winnen van; doden; ervan langs geven; de volle laag geven; een pak slaag geven; zwaar aanpakken; de das omdoen; [fig.] afdrogen; inmaken; inblikken; afranselen; afstraffen; afrossen; een afstraffing geven; zijn portie geven; zijn vet geven; ik zal hem!; een gevoelig lesje geven; afrekenen met; korte metten maken; 'em een kantje geven; (2) scherp bekritiseren; heftig tekeergaan tegen; aanvallen; te lijf gaan; uithalen naar; afkammen; afbreken; afkraken; de grond in boren; neerhalen; neersabelen; hekelen; kraken; aftroeven; de grond in trappen; op de korrel nemen; roskammen; de vloer aanvegen met; (3) afwerken; afmaken; afdoen; afhandelen; [問題を] afwikkelen; afronden; komaf maken met; wegdoen; wegwerken; zich ontdoen van; uit de weg ruimen; (4) aandurven te ~; durven te ~; wagen te ~; het bestaan te ~; zo brutaal zijn te ~; het lef hebben te ~; erdoorheen sukkelen; met vallen en opstaan het einde halen; het klaarspelen; het gedaan krijgen; het voor elkaar boksen; het bolwerken; het fiksen; stellen; flikken; opknappen; schiemannen; lappen; het 'm leveren; het presteren om ~; het rooien; weten te ~; (5) vreten; zuipen
遣り繰りする yarikurisuru zich behelpen; zich redden; roeien met de riemen die men heeft; het moeten doen; stellen; rondkomen; het klaarspelen; het voor elkaar krijgen; boksen; de eindjes aan elkaar knopen; [Belg.N.] zich uit de slag trekken
預ける azukeru (1) toevertrouwen; deponeren; in bewaring geven; inchecken; consigneren; afgeven ter bewaring; afzetten; [銀行に金を] op de bank zetten; (2) overlaten; overdragen; overgeven; overleveren; uitbesteden; outsourcen; (3) [椅子に体を] vlijen; laten rusten; plaatsen; (4) [勝負を] door een derde laten beslissen; (5) [theeceremonie] [茶道具を] klaarzetten; gereedzetten; (6) [土地を] in leen geven; belenen; met een leen begiftigen; verpachten; (7) in pand geven; stellen; te pand zetten; panden; verpanden; (8) aan prostitutie overgeven; prostitueren; (9) [酒を] afslaan; zich onthouden van