
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
chōgi・長技
zn. voortreffelijk punt v.; sterk punt o.
kukkyō・屈强
(屈強) zn. (1) [强いこと] kracht v.; sterke lichaamsbouw m. (2) [勝れた] uitstekendheid v. ¶ 屈强な sterk; gespierd; voortreffelijk (勝れた).
kyōken・强健
(強健) zn. gezondheid v.; sterk gestel o. ¶ 强健なる gezond en sterk.
yūryoku na・有力な
bn. machtig; invloedrijk; toonaangevend; notabel; van invloed; van aanzien; sterk; krachtig. ¶ 有力者 man van invloed.
yūken・勇健
zn. goede gezondheid v.; sterk gestel o.
tsuyoi・强い
(強い) bn. (1) [強健] sterk; krachtig. (2) [堅牢] stevig; solide. (3) [力の] krachtig; gespierd. (4) [勇壯] dapper; moedig. (5) [激烈] hevig. ¶ 強く云ふ met nadruk zeggen; den nadruk leggen. ¶ 強める versterken. ¶ 強めて言ふ nog sterker zeggen. ¶ 強み kracht. ¶ 強さ kracht; intensiteit; hevigheid; sterkte. ¶ 電流の強さ stroomsterkte.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <sterk>
きつい kitsui (1) intens; sterk; (2) hard; streng; zwaar; (3) strak; nauw; (4) moedig; sterk
とっても tottemo (1) heel; erg; zeer; zwaar; sterk; uiterst; aller-; dood-; oer-; bloed-; in-; hartstikke; vreselijk; uitermate; ontzettend; enorm; verschrikkelijk; afschuwelijk; ijzig; bar; stom-; criant; gruwelijk; bitter; crimineel; gruwzaam; fantastisch; geweldig; ontiegelijk; gemeen; drommels; verdomd; machtig; duivels; verbazend; ijselijk; verduiveld; mirakels; allemachtig; formidabel; ellendig; moorddadig; reusachtig; reuze-; ontzaglijk; vervaarlijk; kolossaal; onwijs; schreeuwend; stinkend; danig; volslagen; faliekant; [inform.;veroud.] verhipt; (2) [~ない] geenszins; volstrekt niet; hoegenaamd niet; bepaald niet; helemaal niet; lang niet; absoluut niet; ten enenmale niet; om de drommel niet; in het geheel niet; niet in het minst; in geen geval; in geen enkel opzicht; in genen dele; op geen stukken na; bijlange (na) niet
パワフル pawafuru krachtig; machtig; vermogend; invloedrijk; sterk
丈夫な jōbuna (1) gezond; fit; flink; kloek; sterk; fiks; taai; kras; (2) sterk; stevig; krachtig; flink; kranig; fiks; degelijk; duurzaam; hecht; [i.h.b.] sterkgebouwd; ferm; solide; robuust; potig; fors; [niet alg.] struis
丈夫 jōbu (1) gezond; fit; flink; kloek; sterk; fiks; taai; kras; (2) sterk; stevig; krachtig; flink; kranig; fiks; degelijk; duurzaam; hecht; [i.h.b.] sterkgebouwd; ferm; solide; robuust; potig; fors; [niet alg.] struis
上手な jōzuna goed (in); vaardig; bedreven; behendig; kundig; knap; meesterlijk; deskundig; vakkundig; bekwaam; sterk; ervaren; habiel; handig; geverseerd; onderlegd; [Belg.N.;niet alg.] beslagen
上手 jōzu (1) expert (in); deskundige; meester; vakkundige; kenner; baas; piet; [inform.] kei; [inform.] kraan; (2) vleierij; mooipraterij; flemerij; (3) goed (in); vaardig; bedreven; behendig; kundig; knap; meesterlijk; deskundig; vakkundig; bekwaam; sterk; ervaren; habiel; handig; geverseerd; onderlegd; [Belg.N.;niet alg.] beslagen
健やか sukoyaka gezond; fit; kloek; stevig; flink; sterk; krachtig; fiks
剛 gō (1) hardheid; sterkte; onbuigzaamheid; starheid; (a) hard; sterk; (b) onbuigzaam; star
劇 geki (1) toneelkunst; kunst van de opvoering van toneelstukken; acteerkunst; kunst van het toneelspelen; (2) drama; toneel; toneelspel; toneelstuk; theaterstuk; theater; (3) hevig; enorm; fel; (a) hevig; druk; sterk; (b) spel; drama; (c) schouwburg
力強い chikarazuyoi (1) krachtig; sterk; robuust; [m.b.t. stem] fors; [m.b.t. stijl] gespierd; (2) geruststellend; bemoedigend; hartsterkend; ~ waarop je kan rekenen
厳重 genjū (1) gestrengheid; strengheid; striktheid; rigourositeit; onverbiddelijkheid; heftigheid; felheid; (2) stevigheid; sterkte; degelijkheid; vastheid; (3) gestreng; streng; strikt; rigoureus; onverbiddelijk; heftig; fel; (4) stevig; sterk; degelijk; solide; vast
固い katai (1) sterk; hard; (2) streng; vasthoudend; niet aflatend; (3) robuust; vast zittend zodat het niet kan bewegen; (4) stijfkoppig; koppig
堅固 kengo sterk; vast; stevig; hecht; standvastig; stabiel; solide; degelijk
堅牢 kenrō (1) [boeddh.] Nārāyaṇa [= naam van de god Vishnoe]; (2) [boeddh.] Pṛthivī [= de aardgodin;één van de twaalf deva's]; (3) sterk; stevig; solide; kloek; robuust; fors
大層;大相;大造 taisō (1) enorm; geweldig; ontzaglijk; immens; machtig; gigantisch; formidabel; ontzettend; indrukwekkend; grandioos; groots; (2) voortreffelijk; voornaam; hoog; indrukwekkend; (3) overdreven; overtrokken; opgeklopt; sterk; kras; ongelooflijk; geëxalteerd; (4) heel; (heel) erg; zeer; buitengewoon; enorm; geweldig; ontzettend; vreselijk; buitengemeen; uitermate; uiterst; hoogst; ongemeen; zo; hooglijk; verschrikkelijk; ontzaglijk; buitenmate; bovenmate; [inform.] hartstikke
大風が吹く ōkazegafuku sterk; fel; hevig; hard waaien; stormen
姜 kyō (1) [Chin.] Jiāng; [Kor.] Gang; Kang; (a) sterk
強い tsuyoi (1) sterk; krachtig; stout; stevig; impressief; [m.b.t. klap] hard; [m.b.t. houding] ferm; [m.b.t. verzet] duchtig; geducht; hevig; [m.b.t. band] hecht; [m.b.t. gevoel] intens; [m.b.t. geur] scherp; [m.b.t. uitspraak] kras; [m.b.t. geest;geloof enz.] kloek; [m.b.t. bries] stijf; [m.b.t. drank] zwaar; (2) bestand (tegen); gehard tegen; -bestendig; goed tegen [drank;alcohol enz.] kunnen [direct voorafgegaan door ni に]; (3) sterk (in); goed (in); kundig (in); bekwaam (in); bedreven (in)
強く tsuyoku krachtig; sterk; stevig; op krachtige wijze; intens; fors; zwaar; hard; ferm; duchtig; geducht; nadrukkelijk; met nadruk; met klem; met aandrang; stellig; ten stelligste; [muz.] forte
強力 kyōryoku (1) macht; (2) sterk; krachtig; machtig
強固 kyōko vast; sterk; solide; stevig; krachtig; onwankelbaar; [~意志] ijzeren; onverzettelijk
強大 kyōdai machtig; sterk; vermogend; invloedrijk
強大な kyōdaina machtig; sterk; vermogend; invloedrijk
強度の kyōdono sterk; intens; hooggradig; hoogmatig; zwaar
強烈 kyōretsu zwaar; hard; hevig; sterk; intens; krachtig
強靭 kyōjin hard; sterk; pittig; taai; stug; [fig.;m.b.t. zenuwen;wil] stalen
強 kyō (1) [sportt.;econ.;pol.] machtige; grote; sterkhouder; reus; gigant; (2) [elektr.] de stand "hard" (van een elektrisch apparaat); (3) iets meer dan …; een goeie …; een dikke …; ruim …; … en nog wat; (a) sterk; (b) versterken; sterk maken; worden; (c) dwingen; forceren
強 gō (a) sterk; (b) dwingen; forceren; (c) stijf; stug
得意 tokui (1) zelftevredenheid; zelfbehagen; zelfvoldoening; zelfgenoeglijkheid; zelfvoldaanheid; [veroud.;gunstig] zelfgenoegzaamheid; triomfantelijkheid; zelftrots; zelfverheuging; zelfopgetogenheid; fierheid; het prat gaan op; (2) iems. element; specialiteit; fort; sterk punt; sterke kant; sterke zijde; dat waarin iem. goed; sterk; thuis is; dat waarin iem. uitmunt; (3) vaste klant; vaste gast; stamgast; habitué; trouwe bezoeker; getrouwe comparant; regelmatige afnemer; regelmatige klandizie; vast clientèle; vaste klantenkring
手強い tegowai geducht; taai; sterk; ferm; geweldig; redoutabel; moeilijk te kloppen
暴落する bōrakusuru snel; sterk; plotseling; scherp dalen; ineenstorten; kelderen; vallen; snel zakken; (naar beneden) duiken; (naar beneden) duikelen; in een vrije val raken; terechtkomen
有力 yūryoku krachtig; machtig; sterk; vermogend; invloedrijk; gezaghebbend; overtuigend
有力な yūryokuna krachtig; machtig; sterk; vermogend; invloedrijk; gezaghebbend; overtuigend
渇き kawaki (1) dorst; (2) [fig.] dorst; sterk; vurig verlangen; begeerte; zucht; lust
激しく hageshiku hard; intensief; sterk; stevig; zwaar; flink; fiks; krachtig; hevig; heftig; fel; vurig; vinnig; woest; onstuimig; stormachtig; verwoed; razend; fanatiek; hartstochtelijk; wild; intens; verhit; geducht; duchtig; vehement; geweldig; hels; erg; verschrikkelijk; vreselijk; dat het een aard had; als een gek; van je welste
濃い koi (1) (van een kleur) donker; (van een kleur) niet licht; (van een kleur); diep; (2) (van koffie; thee; etc.) sterk; (van koffie; thee; etc.) scherp; prikkelend; (3) (van soep) dik; (van soep) rijk; (4) (van mist) dicht; (5) (van baard) zwaar; (van baard) dichtbegroeid; (6) (van een relatie; vriendschap; etc.) intiem; (van een relatie,; vriendschap; etc.) vertrouwelijk; (van een relatie; vriendschap; etc.); persoonlijk; (van een relatie; vriendschap; etc.) innig; (van een; relatie; vriendschap; etc.) nauw; (van een relatie; vriendschap; etc.); nabij
濃く koku diep; dik; sterk; geconcentreerd
濃厚 nōkō (1) [m.b.t. soep] dik; gebonden; smeuïg; [m.b.t. smaak] vol; [m.b.t. geur] sterk; [m.b.t. make-up] zwaar; [m.b.t. kus] stevig; innig; (2) geconcentreerd; van sterk gehalte; onverdund; (3) waarschijnlijk; hoogstwaarschijnlijk; aannemelijk; [m.b.t. vermoeden] sterk
猛烈 mōretsu hevig; heftig; intens; sterk; zwaar; hard; geweldig; krachtig; stormachtig; wild; fel; verwoed; vurig; verhit; verschrikkelijk; vreselijk; ontzettend; ontzaglijk
猛烈な mōretsuna hevig; heftig; intens; sterk; zwaar; hard; geweldig; krachtig; stormachtig; wild; fel; verwoed; vurig; verhit; verschrikkelijk; vreselijk; ontzettend; ontzaglijk
痛感する tsūkansuru sterk; scherp aanvoelen; in zijn volle omvang beseffen; zich terdege realiseren; doorvoelen
荒い arai (1) wild; heftig; ruw; woest; sterk; hard [m.b.t. zee;wind;natuurelementen etc.]; (2) grof; vulgair; ongemanierd; onhebbelijk; plat; ordinair [m.b.t. gedrag;taalgebruik etc.]
豪 gō (1) held; dapper; moedig man; flinkerd; durver; (2) krachtig; sterk; flink; kloek; moedig; dapper; koen; manhaftig; (3) Australië; [afk.] Austr.
近似する kinjisuru nauw; sprekend; sterk; treffend gelijken; veel hebben van; veel weg hebben van; aanleunen tegen; dicht benaderen
逞しい takumashii (1) kloek; sterk; krachtig; gespierd; stevig (gebouwd); musculeus; robuust; potig; flink; stoer; gehard; (2) weerbaar; energiek; ferm; flink; kordaat
達者 tassha (1) meester; expert; deskundige; vakman; specialist; kenner; (2) goed; knap; sterk; thuis in; vaardig; bedreven; behendig; deskundig; doorkneed; geverseerd; vertrouwd; ervaren; kundig; vakkundig; bekwaam; capabel; geroutineerd; routineus; habiel; (3) uitstekend; prima; fris en gezond; tiptop; kerngezond; fit; kranig; kras; fiks; flink; springlevend; (4) gewiekst; leep; bijdehand; gehaaid; uitgekookt
隆々 ryūryū (1) gespierd; krachtig; potig; flink; stoer; sterk; musculeus; (2) bloeiend; voorspoedig; florerend; gedijend; florissant; tierig
随分 zuibun (1) kras; sterk; wat (een ~); [iron.] fraai; (2) zeer; erg; heel; uiterst; uitermate; buitengewoon; hoogst; verschrikkelijk; vreselijk; (3) behoorlijk; aanzienlijk; aanmerkelijk; beduidend; fors; flink; knap; merkelijk; een stuk; heel; nogal; aardig wat; considerabel
頑丈 ganjō degelijk; stevig; vast; hecht; kloek; flink; sterk; krachtig; fors; robuust; potig; taai; solide; [w.g.] solied
頻りに shikirini (1) herhaaldelijk; vaak; veelvuldig; meermaals; regelmatig; telkens opnieuw; gedurig; aanhoudend; onophoudelijk; constant; continu; de ene ~ op de andere; (2) zeer; sterk; ten zeerste; ten sterkste; krachtig; intens; ijverig; gretig; begerig; vurig; popelend; maar wat graag
高度 kōdo (1) hoogte; (2) sterkte; kracht; krachtigheid; intensiteit; (3) hoge mate; grote mate; hoog peil; (4) sterk; krachtig; intens; hevig; in hoge graad; in hoge mate; (5) geavanceerd; hoog ontwikkeld; gesofisticeerd; gesofistikeerd; (6) in hoge mate; in grote mate; in hoge graad; in een hoog peil
高騰する kōtōsuru sterk; scherp stijgen; met sprongen omhoog gaan; de pan uit rijzen; omhoogschieten; omhoogvliegen
Tijd: 1.45 sec. jiten.nl: 16 treffers, warandict: 53 treffers (zoekopdracht: 'sterk').
2005-2026
