日蘭辭典+

31 resultaten voor ‘relatie’
日蘭辭典 (trefwoord)
naka

zn. verhouding v.; betrekking v. ¶ 深い intieme relatie; innige verhouding. ¶ 惡い oneenigheid hebben; kwestie hebben. ¶ よい bevriend zijn.

yukari

(縁) zn. betrekking v.; relatie v.

watari

zn. (1) [渡ること] overtocht m.; overvaart v.; passage v. (2) [舶來] invoer m. (3) [渡板] loopplank v. (4) [直徑] doorsnede v. (5) [交涉] onderhandeling v. ¶ 渡りに船と…¶ する met graagte gebruik maken van. ¶ 渡りをつける tot overeenstemming komen; relatie knoopen.

tsuranaru連る

(連なる) i.w. (1) [連續] zich verbinden; zich vereenigen; band vormen; zich aansluiten. (2) [整列] in een rij staan; rij vormen. (3) [參列] bijwonen; tegenwoordig zijn. (4) [關係] in verband staan; in relatie staan; verbonden zijn aan. ¶ 連った onafgebroken; aaneengestoten.

tsunagari繫がり

zn. relatie v. ¶ 繫がる op de voeten volgen (續く); (結ばる) verbonden zijn; vastzitten aan; hangen aan; (關聯する) in relatie staan met; in betrekking staan tot.

tsūjiru通じる

i.w. (1) [通過] passeeren; voorbijgaan. (2) [精通] grondig op de hoogte zijn; t.w. kennen. i.w. (3) [了解] verstaan worden; gangbaar zijn. (4) [姦通] onzedelijke betrekkingen hebben; liaison hebben. (5) [內應] in ’t geheim in verbinding staan t.w. (6) [通過さす] laten passeeren; doorlaten. (7) [連絡] verbinden. (8) [知らす] laten weten; bekend maken. ¶ 都市には鐵道が通じてゐます de voornaamste steden zijn door spoorwegen verbonden. ¶ 蘭語に通じる goed Hollandsch kennen. ¶ 英語の通じない處はない Engelsch wordt overal verstaan. ¶ 敵に通じる in geheime relatie staan met den vijand. ¶ 女と通じる scharrelen met een vrouw. ¶ 橋を通じる door een brug verbinden; brug slaan. ¶ 電流を通じる stroom sluiten. ¶ 意志を通じる bedoeling bekend maken. ¶ 電話が通じない de telefoon geeft geen gehoor.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <relatie>
コネクション konekushon (1) connecties; invloedrijke relaties; contacten; (2) connectie; verband; betrekking; relatie; (3) drugscircuit; [i.h.b.] drugskoerier; [euf.] contactman
yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
交渉 kōshō (1) onderhandelingen; besprekingen; discussie; pourparlers; overleg; [i.h.b.] gemarchandeer; [veroud.] negotiatie; (2) relatie; contact; connectie; het iets te maken hebben met; betrekkingen; omgang
付き合い tsukiai (1) omgang; verkeer; betrekking; contact; gemeenschap; relatie; gezelschap; vriendschap; anschluss; [i.h.b.] verkering; kennissen; kennissenkring; (2) [meegaan enz. uit] sociale beleefdheid
取引先 torihikisaki klant; afnemer; relatie; handelsrelatie; zakenrelatie
因果関係 ingakankei verband; relatie; betrekking tussen oorzaak en gevolg; causaal verband; oorzakelijk verband; oorzakelijkheid; causaliteit
寄せ yose (1) verzameling; samenbrenging; (2) [go;shōgi] eindspel; laatste fase van een partij; laatste zetten; eindzetten; (3) [golf] approach; (4) aangetrokkenheid; vertrouwen; (5) zorg; hoede; toezicht; (6) band; betrekking; relatie; (7) reden; grond; (8) [tanka] geassocieerd woord; associatiewoord; (9) [kabuki] trommuziek bij de entree van een personage
御存じ;御存知;ご存じ;御存 gozonji (1) het weten; kennis; besef; bewustzijn; wetenschap; (2) bekende; kennis; relatie; iemand met wie men regelmatig omgaat; (3) het weten; het kennis hebben van; het kennis dragen van; het bekend zijn met; het op de hoogte zijn van; het kennen
情事 jōji (1) hartszaak; (2) staat; omstandigheden; toestand; situatie; (3) hartsaangelegenheid; liefdesaangelegenheid; liefdesaffaire; liefdesbetrekking; liefdesverhouding; (4) liefdesavontuur; buitenechtelijke verhouding; relatie; affaire; liaison; avontuurtje; galanterie; amourette; romance; idylle; intimiteiten; [veroud.] minnarij
折り合い oriai (1) betrekkingen; relatie; omgang; verstandhouding; verhouding; (2) compromis; vergelijk; schikking; overeenkomst; akkoord; overeenstemming
yue (1) reden; oorzaak; (2) aanzienlijke afkomst; goede komaf; (3) smaak; charme; (4) band; betrekking; relatie; (5) ongeval; ongeluk; (6) […ゆえ] door; wegens; vanwege; (7) […ゆえ] hoewel; ofschoon; schoon; terwijl
濃い koi (1) (van een kleur) donker; (van een kleur) niet licht; (van een kleur); diep; (2) (van koffie; thee; etc.) sterk; (van koffie; thee; etc.) scherp; prikkelend; (3) (van soep) dik; (van soep) rijk; (4) (van mist) dicht; (5) (van baard) zwaar; (van baard) dichtbegroeid; (6) (van een relatie; vriendschap; etc.) intiem; (van een relatie,; vriendschap; etc.) vertrouwelijk; (van een relatie; vriendschap; etc.); persoonlijk; (van een relatie; vriendschap; etc.) innig; (van een; relatie; vriendschap; etc.) nauw; (van een relatie; vriendschap; etc.); nabij
結び付き musubitsuki relatie; betrekking; connectie; verband; band; verbinding
絡み karami (1) omgang; interactie; verwikkeling; betrokkenheid; relatie; verband; (2) [kabuki] bijfiguur
縁故 enko (1) bloedband; bloedverwantschap; (2) bloedverwant; verwant; (3) connectie; relatie; band; contact
en (1) kans; toevallige gebeurtenis; lot; toeval; karma; (2) band; betrekking; relatie; connectie; verwantschap; (3) verband; relatie; connectie; samenhang; (4) veranda; waranda; loggia
縁;所縁 yukari band; betrekking; relatie; connectie
繋がり;繋 tsunagari (1) verband; betrekking; relatie; binding; link; band; verhouding; connectie; verbinding; [i.h.b.] betrokkenheid; (2) verwantschap; parentage; filiatie; maagschap(sband)
gi (1) gerechtigheid; recht; rechtvaardigheid; gerechtvaardigdheid; gerechtige zaak; (2) betekenis; inhoud; zin; strekking; (3) band; betrekking; relatie; (4) aangetrouwd; behuwd-; schoon-; (5) kunst-; vals
誼み;好しみ yoshimi vriendschap; vriendschappelijkheid; vriendschappelijke betrekkingen; verhouding; relatie; vertrouwde omgang; amicaliteit; kameraadschap
連係 renkei verband; connectie; betrekking; link; contact; relatie
間柄 aidagara verhouding; relatie; betrekking; band; binding; verstandhouding; [fig.] voet; omgang
関わり kakawari (1) verband; relatie; betrekking; connectie; verhouding; betrokkenheid; (2) betrokkene; belanghebbende
関係 kankei (1) relatie; betrekking; verhouding; verwantschap; verband; bemoeienis; bemoeiing; (2) deelname; aandeel; (3) invloed; (4) (seksuele) relatie; omgang
関連 kanren (1) verband; relatie; (2) Medewerker
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.01 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'relatie'). 
2005-2026