RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <totaal>
ころっ koro (1) [~と転がる] [= aanduiding van een rolbeweging van een klein;licht voorwerp]; (2) [~と変わる] plots; ineens; pardoes; [~と忘れる] rats; compleet; totaal; glad; (3) [~と参る] sportief; zonder vezet; vlot; (4) [~と寝てしまう] als een blok
さっぱり sappari (1) verschrikkelijk; echt erg; (2) keurig; net; netjes; [gew.] deftig; (3) verfrist; opgefrist; opgeknapt; opgekikkerd; [i.h.b.] opgelucht [i.c.m. shita した]; (4) openhartig; vrijmoedig; oprecht; frank; rechtuit; rondborstig [i.c.m. shita した]; (5) [m.b.t. culinaria] eenvoudig; licht gekruid [i.c.m. shita した]; (6) compleet; totaal; helemaal; in het geheel; volkomen; volledig; gans [i.c.m. to と]
すっかり sukkari volledig; helemaal; (in zijn) geheel; [form.] gans; integraal; compleet; in zijn totaliteit; volkomen; onverdeeld; ten volle; volmaakt [tevreden;gelukkig enz.]; totaal; grondig; volop
そっくり sokkuri (1) geheel; al; volledig; helemaal; totaal; compleet; in zijn geheel; totaliteit; met ~ en al; intact; integraal; zoals het is; (2) precies lijken op; als twee druppels water lijken op; sprekend lijken op; iem. gelijken op een prik; in alles lijken op; het evenbeeld zijn van; precies; exact; net; op-en-top
グロス gurosu (1) bruto; totaal; (2) [golf] brutoscore ; (3) glans; (4) Gross; Gloth; (5) gros [= twaalf dozijn]
トータル tōtaru (1) totaal; geheel; volledige hoeveelheid; (2) Total
丸々;〇〇 marumaru (1) lege plek; blanco gedeelte; opengelaten plaats; leeg gelaten passage; (2) ene; een zeker(e); niet nader genoemd(e); (3) vol; bol; rond; mollig; bolrond; (4) volledig; compleet; volkomen; helemaal; geheel en al; totaal
丸々と marumaruto (1) vol; bol; rond; mollig; bolrond; (2) volledig; compleet; volkomen; helemaal; geheel en al; totaal
全く mattaku (1) geheel; geheel en al; heel; volledig; helemaal; straal; absoluut; volstrekt; rechtaf; volkomen; puur; totaal; volslagen; door en door ~; [attr.] ~ in het kwadraat; hartstikke; op-en-top; compleet; ten enenmale; ganselijk; gladweg; vlak; [volkst.] helendal; (2) werkelijk; inderdaad; waarlijk; echt; zonder meer; regelrecht; hoe ~!
全くの mattakuno volkomen; volmaakt; volslagen; compleet; totaal; algeheel; onverbeterlijk; onvervalst; absoluut; je reinste; pur sang; van het zuiverste water
全体 zentai (1) geheel; totaliteit; totaal; [attr.] heel; [attr.] al(le); (2) in de eerste plaats; om te beginnen; eerst en vooral; (3) wat ~ toch; wat ~ in 's hemelsnaam; wat ~ in vredesnaam; wat ~ in godsnaam; (4) in het geheel; alles samen; alles bij elkaar (genomen); in totaal; in toto [gevolgd door de で]; (5) in het algemeen; over het geheel; generaliter; globaal genomen [gevolgd door ni に]
全然 zenzen (1) helemaal niet; in het geheel niet; niet in het minst; geringste; absoluut niet; volstrekt niet; hoegenaamd niet; in genen dele [i.c.m. negatie]; (2) heel; erg; zeer; verschrikkelijk [in informeel taalgebruik]; (3) compleet; volstrekt; totaal; geheel; helemaal; geheel en al; volkomen; volslagen; volledig; op-en-top; in alle opzichten; door en door [affirmatief en nadrukkelijk]
全般の zenpanno geheel; heel; totaal; universeel; algemeen; algeheel; globaal
全部 zenbu (1) geheel; al; algeheel; alle; alles; totaal; [inform.] het hele zootje; de hele mikmak; de hele bende; [attr.] compleet; (2) volledig; allemaal; algeheel; heel; totaal; volkomen; in alle opzichten; onverdeeld; [arch.] gans
全面的 zenmenteki grootscheeps; totaal; compleet; alomvattend; alles omvattend; alles insluitend; extensief
全面的に zenmentekini grootscheeps; totaal; compleet; alomvattend; extensief; voluit; over de hele linie
全額 zengaku hoofdsom; som; eindbedrag; totaalbedrag; totaal; somma
凡そ oyoso (1) samenvatting; kort overzicht; resumé; de voornaamste punten; (2) over het algemeen; in principe; (3) geheel; volkomen; compleet; totaal
去る saru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot;echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen;tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
合計 gōkei som; totaal
和;倭 wa (1) vrede; harmonie; goede verhouding; eendracht; eensgezindheid; (2) som; totaal; (3) Japan; Nippon
圧倒的 attōteki overweldigend; verpletterend; overstelpend; overdonderend; allesoverheersend; lawineus; totaal
圧倒的な attōtekina overweldigend; verpletterend; overstelpend; overdonderend; allesoverheersend; lawineus; totaal
圧倒的に attōtekini overweldigend; verpletterend; overstelpend; overdonderend; allesoverheersend; lawineus; totaal
如何にも ikanimo (1) in elk opzicht; enorm; extreem; uiterst; verschrikkelijk; zeer; erg; hoogst; absoluut; totaal; (2) werkelijk; waarlijk; voorwaar; voorzeker; echt; helemaal; door en door; precies; inderdaad; exact; zegt u dat wel; zoals u zegt; dat ben ik helemaal met u eens; volkomen gelijk; nou en of; reken maar; klopt; heel juist; (3) hoe dan ook; op welke wijze ook; hoe het ook zij; vast en zeker; welzeker; ongetwijfeld; beslist; stellig; (4) net alsof; als het ware; onmiskenbaar; duidelijk; niet mis te verstaan; (5) liefst; bij voorkeur
完全な kanzenna perfect; compleet; volledig; integraal; volkomen; volslagen; volstrekt; totaal; gaaf; ongeschonden; volmaakt; afgerond; intact
完全に kanzenni perfect; compleet; volledig; geheel; van a tot z; integraal; volkomen; volmaakt; volslagen; volstrekt; absoluut; totaal; afgerond; intact; ongeschonden; [w.g.] restloos
尽く;悉く kotogotoku integraal; volledig; helemaal; allemaal; geheel; algeheel; heel; totaal; volkomen; [arch.] gans
延べ nobe (1) transactie; handelsovereenkomst met uitstel van betaling; (2) totaal; globaal
洗い浚い araizarai geheel en al; totaal; volledig; alles zonder uitzondering; zonder enig voorbehoud; van a tot z; van het begin tot het einde; [Belg.N.] van naaldje tot draadje
皆 mina (1) al; alle; allen; alles; ieder; iedereen; elkeen; alleman; (2) algeheel; geheel; gans; heel; helemaal; compleet; totaal
皆 minna (1) al; alle; allen; alles; ieder; iedereen; elkeen; alleman; (2) algeheel; geheel; gans; heel; helemaal; compleet; totaal
絶対 zettai (1) iets absoluuts; absoluutheid; [attr.] absoluut; [attr.] volstrekt; [attr.] totaal; [attr.;fig.] soeverein; [attr.;fil.] categorisch; [attr.;m.b.t. gebod] onvoorwaardelijk; (2) absoluut; volstrekt; honderd procent; geheel; totaal; volkomen; stellig; beslist
絶対に zettaini absoluut; helemaal; totaal; volkomen; volstrekt; strikt; ten enenmale; totaliter
絶対の zettaino absoluut; totaal
絶対的 zettaiteki absoluut; volstrekt; honderd procent; geheel; totaal; volkomen; stellig; beslist; [fig.] soeverein; [fil.] categorisch; [m.b.t. gebod] onvoorwaardelijk
絶対的に zettaitekini absoluut; volstrekt; honderd procent; geheel; totaal; volkomen; stellig; beslist; [fig.] soeverein; [fil.] categorisch; [m.b.t. gebod] onvoorwaardelijk
総体 sōtai (1) geheel; totaal; (2) in; over 't algemeen; globaal genomen; alles bij elkaar (genomen); over het geheel genomen; in summa; generaliter; grosso modo
総合的 sōgōteki allesomvattend; integraal; geïntegreerd; totaal; globaal
総括的 sōkatsuteki alles inbegrepen; allesomvattend; alomvattend; collectief; totaal; globaal; op iedereen; alles van toepassing; kapstok-; verzamel-; omnibus-
総括的に sōkatsutekini alles inbegrepen; in zijn geheel; allesomvattend; alomvattend; collectief; totaal; globaal; in grote trekken; over het algemeen; in totaal; in; als massa; en masse; en bloc
総数 sōsū totaal aantal; totaal
総額 sōgaku totale som; bedrag; eindbedrag; totaalbedrag; totaal beloop; totaal; eindtotaal; hoofdsom; somma; aggregaat
総 sō algemeen; algemene ~; totaal; totale ~; volledig(e) ~; generaal; generale ~; gezamenlijk(e) ~; collectief; collectieve ~; bruto ~; opper-; hoofd-
計 kei (1) plan; planning; programma; schema; (2) list; krijgslist; truc; handigheid; strategie; intrige; samenzwering; (3) som; totaal; som van alle afzonderlijke bedragen; (4) meter; meettoestel; meetinstrument
通算 tsūsan (1) totaalberekening; (2) totaal; totaalbedrag; totaalcijfer
集計 shūkei (1) totalisatie; het totaliseren; bijeenvoegen; optelling; (2) [rekenk.] aggregaat; totaal