
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
botteri・ぼってり
bn. mollig; dik.
kotteri・こつてり
bw. dik; rijkelijk; overvloedig; vettig.
tsuku・附く
i.w. (1) [附着] kleven; plakken; blijven vastzitten. (2) [味方する] de zijde kiezen van; meegaan met. (3) [價する] waard zijn. t.w. (4) [習癖が] aannemen; i.w. zich aanwennen. i.w. (5) [火が] vlam vatten. t.w. (6) [痕が] achterlaten. (7) [利息が] opbrengen; opleveren. ¶ 惡錢身に附かず gestolen goed gedijt niet. ¶ 肉が附く dik worden. ¶ 敵方に附く overloopen naar den vijand. ¶ 一つが十錢につく ze kosten 10 sen per stuk. ¶ 惡い癖はつき易い slechte gewoonten worden gemakkelijk aangeleerd. ¶ 著物に火がついた zijn kleeren vlogen in brand. ¶ 電氣がついて居る het electrisch licht is aan. ¶ 年七分の利が附く 7% per jaar interest geven. ¶ 床に足跡がつく voetstappen op den vloer achterlaten.
SUPPLEMENT (trefwoord)
tari・たり
Hulpwerkwoord van de schrijftaal of het klassiek Japans.
たり sluit aan op de renyōkei. Het geeft de voltooiing van een handeling of een proces aan (modern -した) Geeft voortdurend effect van een voltooide handeling of proces (...heeft gedaan; -ている; -てある). (IT:95) たり is het schrijftaal equivalent van spreektaal た. Attributief: たる, predicatief: たり. ¶ 次にあらわれたるは女の顔《次にあらわれたのは女の顔》 het was het gezicht van een vrouw dat vervolgens verscheen ¶ あらわれたるは方屋黒タイツに空色《の》水着を着たデブさん wat is verschenen in de ring [is] Mevrouw dikzak gekleed in een hemelsblauw badpak en zwarte panties De attributieve vorm (たる) nominaliseert het voorafgaande zonder de tussenkomst van の (wat in het modern wel noodzakelijk is). (SEM:838)
| mizen | renyō | shūshi | rentai | izen | meirei |
| たら | たり | たり | たる | たれ | たれ |
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <dik>
たっぷり tappuri (1) rijkelijk; royaal; overvloedig; mild; ruim; ruimschoots (voldoende); flink; scheutig; dik; volop; plenty; welvoorzien (van); vol ~; een heleboel ~; meer dan genoeg; in overvloed; zat; keur (van ~); rijk; te kust en te keur; (2) ruim zittend; wijd; voldoende ruim [door shita した gevolgd]; (3) ruim [een uur enz.]; een goed ~; een dik ~; minstens ~
どろどろの dorodorono (1) modderig; slijkerig; slijkachtig; blubberig; (2) moesachtig; brijachtig; pulpachtig; papperig; pappig; brijig; week; dikvloeibaar; stroperig; [~汁] dik; smeuïg
ぶくぶく bukubuku (1) blub blub; bloeb bloeb; bubbelend; borrelend; luchtbelletjes vertonend; (2) klok klok; (3) pruttelend; sudderend; (4) [~した] dik; corpulent; plomp
分厚い;部厚い buatsui lijvig; dik; volumineus; omvangrijk
十分;充分 jūbun (1) genoeg; voldoende; toereikend; plenty; uitvoerig; genoegzaam; suffisant; sufficiënt; afdoend; bevredigend; volstaan; welletjes; (2) in voldoende mate; genoegzaam; naar genoegen; tot iemands volle tevredenheid; ruim; dik; rijkelijk; ruimschoots; meer dan genoeg; zat; dubbel en dwars; ampel; zijn bekomst …
十分に jūbunni in voldoende mate; genoegzaam; naar genoegen; tot iemands volle tevredenheid; ruim; dik; rijkelijk; ruimschoots; meer dan genoeg; grondig; zat; dubbel en dwars; ampel; zijn bekomst …
厚 kō (a) dik; (b) hartelijk; joviaal; (c) brutaal; onbeschaamd; (d) verrijken
厚い atsui (1) dik; lijvig; een pil van een ~; (2) innig; hartelijk; warm; vriendelijk
厚ぼったい atsubottai dik; lijvig; volumineus; zwaar
厚地 atsuji (1) dikke stof; dik weefsel; dik textiel; (2) [~の] warm; dik; zwaar
厚手 atsude [~の] dik; zwaar; lijvig
厚氷 atsugōri dik; hard; stevig ijs
固練り kataneri (1) stevige kneding; het vastkneden; (2) stevig kneedsel; vastgeknede massa; dikke pasta; (3) [~の] vastgekneed; dik; vast; dicht; dikvloeibaar; consistent
大 dai (1) groot; [m.b.t. kledingmaten] large; omvangrijk; belangrijk; vooraanstaand; [fig.] zwaar; ernstig; erg; [m.b.t. vriendschap] dik; (2) [m.b.t. zonnekalender] ~ met 31 dagen; (3) zo groot als; ter grootte van ~; -groot; (4) senior; de oudere; major; (5) universiteit [verkorting van daigaku 大学]
太い futoi (1) dik; zwaar; fors; vet; flink; (2) [van stem e.d.] diep; vol; zwaar; (3) driest; boud; vermetel; stoutmoedig; (4) brutaal; vrijpostig; schaamteloos; onbeschaamd
太くする futokusuru [m.b.t. letters;lijnen] aandikken; aanhalen; aanvetten; overdikken; dik; dikker maken; [w.g.] dikken
太った futotta dik; vet; weldoorvoed; corpulent; mollig; vlezig; gezet; struis; zwaar; zwaarlijvig
沈殿物 chindenbutsu sediment; neerslag; bezinksel; afzetting; aanzetsel; grondsop; [chem.] precipitaat; [m.b.t. wijn] depot; droesem; drab; moer; droef; [m.b.t. koffie;chocolade] dik; [gew.;m.b.t. koffie] dras; [gew.] grom
深い fukai (1) diep; dicht; dik; (2) [van gevoelens;gedachten enz.] diep; intens; diepgaand; diepliggend; diepzinnig; grondig; innig; intiem; (3) [van kleuren;aroma's enz.] donker; zwaar; vol
濃い koi (1) (van een kleur) donker; (van een kleur) niet licht; (van een kleur); diep; (2) (van koffie; thee; etc.) sterk; (van koffie; thee; etc.) scherp; prikkelend; (3) (van soep) dik; (van soep) rijk; (4) (van mist) dicht; (5) (van baard) zwaar; (van baard) dichtbegroeid; (6) (van een relatie; vriendschap; etc.) intiem; (van een relatie,; vriendschap; etc.) vertrouwelijk; (van een relatie; vriendschap; etc.); persoonlijk; (van een relatie; vriendschap; etc.) innig; (van een; relatie; vriendschap; etc.) nauw; (van een relatie; vriendschap; etc.); nabij
濃く koku diep; dik; sterk; geconcentreerd
濃厚 nōkō (1) [m.b.t. soep] dik; gebonden; smeuïg; [m.b.t. smaak] vol; [m.b.t. geur] sterk; [m.b.t. make-up] zwaar; [m.b.t. kus] stevig; innig; (2) geconcentreerd; van sterk gehalte; onverdund; (3) waarschijnlijk; hoogstwaarschijnlijk; aannemelijk; [m.b.t. vermoeden] sterk
緊密 kinmitsu (1) nauw; hecht; innig; dik; (2) strikt; streng; strak; star; rigoureus
自慢する jimansuru (1) trots zijn (op); prat gaan (op); zich beroemen (op); roemen (op); bogen (op); zich verheffen (op); zich laten voorstaan op; (2) opscheppen; snoeven; pochen (op); [Belg.N.;inform.] stoefen (op); [form.] stoffen (op); opsnijden; ophakken; zwetsen; pralen; prallen; dik; groot doen; grootspreken; snorken; bluffen (op); [veroud.] brallen (op); [arch.] ronken
親しい shitashii (1) naverwant; (nauw) verwant; [w.g.] na; (2) [m.b.t. vriend(schap)] intiem; amicaal; vriendschappelijk; close; innig; familiair; dik; dierbaar; vertrouwd; bekend; (3) in hoogsteigen persoon; hoogstpersoonlijk; minzaam; genadig; [adv.] rechtstreeks [als van hooggeplaatste personen sprake is]
親密 shinmitsu (1) hechte vriendschap; vertrouwde omgang; innige verbondenheid; intimiteit; innigheid; vertrouwelijkheid; (2) hecht; innig; intiem; vertrouwd; close; dik
近い chikai (1) nabij; dicht(bij); na; vlak (bij); in de buurt van; [目が] bijziend; (2) intiem; nauw; naverwant; [m.b.t. vriendschap] dik; (3) om en (na)bij; nagenoeg; zo goed als; haast; vrijwel; bijna; op het punt; grenzend aan
Tijd: 0.96 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'dik').
2005-2026
