日蘭辭典+

28 resultaten voor ‘vervullen’
日蘭辭典 (trefwoord)
fumuふむ
(踏む) i.w. (1) [踏付ける] trappen op; t.w. (2) [評價] schatten. (3) [履む] vervullen; verrichten; i.w. voldoen aan. ¶ 芝生を踏むな trap niet op het gras. ¶ 私の踏んだでは naar mijn schatting. ¶ 約束を履む voldoen aan een belofte.
hatasu果す
(果たす) t.w. vervullen; volvoeren; volbrengen.
haiyaku背約
zn. woordbreuk v. ¶ 背約する belofte niet nakomen; contract niet vervullen.
kokorozashi
zn. (1) [意向] wil m.; meening v. (2) [意圖] bedoeling v. (3) [目的] doel o. (4) [親切] welwillendheid v.; vriendelijkheid v. (5) [贈物] geschenk o. ¶ 志を達する zijn doel bereiken; zijn wensch vervuld zien. ¶ 志を抱く een doel hebben. ¶ お志だけ澤山です ik neem gaarne den wil voor de daad.
mattōsuru全うする
t.w. vervullen; voleindigen; voltooien; ten einde brengen. ¶ 使命を全うする roeping vervullen. ¶ 天命を全うする van ouderdom sterven. ¶ を全うする aan den dood ontkomen; er levend afkomen.
yaku

zn. (1) [官職] ambt o.; post v.; betrekking v. (2) [職務] taak v.; ambtsplicht v.; functie v.; werkkring m. (3) [芝居の] rol v. (4) [效用] nut o. ¶ 役に立つ nuttig; bruikbaar; geschikt. ¶ 役に立てる nuttig gebruik maken van. ¶ 役に立たぬ onbruikbaar; nutteloos; het geeft niets. ¶ 役を勤める functie vervullen; rol spelen; dienst doen als; fungeeren als.

tsutomeru勤める

(勤める) i.w. (1) [就職] betrekking vervullen; ambt bekleeden. (2) [努力] trachten; streven. (3) [役を演ず] rol vervullen. ¶ 宣傳に力める zich wijden aan de propaganda; ijveren voor. ¶ 現役を勤めてゐる in actieven dienst zijn. ¶ 通譯を勤める als tolk optreden; fungeeren als tolk. ¶ 努めて ijverig.

tsukusu盡す

(尽くす) t.w. (1) [消費] verbruiken; opgebruiken; uitputten. (2) [果す] volbrengen; vervullen; voleindigen; voltooien. i.w. (3) [盡力する] zich inspannen. ¶ 喰ひ盡す opeten. ¶ 國の爲に盡す zijn krachten geven aan het vaderland. ¶ 深切を盡す zich uitputten in vriendelijkheid. ¶ 百方手を盡す geen middel onbeproefd laten. ¶ 己の分を能く盡す zijn taak goed volbrengen. ¶ 言語に盡し難き onbeschrijfelijk.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vervullen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
実行する jikkousuru (in de praktijk) toepassen; uitvoeren; uitvoering geven aan; ten uitvoer brengen; leggen; in praktijk brengen; implementeren; vervullen; realiseren; effectueren; verrichten; uitoefenen; volvoeren; doorvoeren; beoefenen; [m.b.t. belofte] nakomen; [m.b.t. wet] van kracht doen worden; in werking doen treden
客演する kyakuensuru een gastoptreden doen; een gastrol spelen; vervullen
履行する rikousuru [jur.] presteren; nakomen; uitvoeren; vervullen; volbrengen; verrichten; zich kwijten van; ten uitvoer brengen; ten uitvoer leggen; implementeren
応じる oujiru (1) antwoorden; antwoord geven; ten antwoord geven; (2) [m.b.t. handeling;situatie etc.] beantwoorden; reageren op; weerwerk geven; (3) toestemmen; instemmen; akkoord gaan; aanvaarden; honoreren; inwilligen; toestaan; aannemen; consenteren; het groene licht geven voor; (4) solliciteren; zich inschrijven; zich opgeven; zich aanmelden; [w.g.] appliceren; (5) vervullen; voldoen aan; voldoende zijn; tevreden stellen; bevredigen
応ずる ouzuru (1) antwoorden; antwoord geven; ten antwoord geven; (2) [m.b.t. handeling;situatie etc.] beantwoorden; reageren op; weerwerk geven; (3) toestemmen; instemmen; akkoord gaan; inwilligen; toestaan; consenteren; het groene licht geven voor; (4) solliciteren; zich inschrijven; zich opgeven; zich aanmelden; [w.g.] appliceren; (5) vervullen; voldoen aan; voldoende zijn; tevreden stellen; bevredigen
性交する seikousuru geslachtsgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele gemeenschap hebben; lijfsgemeenschap hebben; huwelijksgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele; intieme omgang hebben; geslachtsverkeer hebben; seksueel verkeer hebben; seks hebben; bedrijven; seksen; seksueel contact hebben; copuleren; de liefde bedrijven; paren; de geslachtsdaad verrichten; bedrijven; de liefdesdaad verrichten; bedrijven; de paringsdaad verrichten; bedrijven; de huwelijksdaad verrichten; bedrijven; de echtelijke; huwelijkse plicht(en) vervullen; vrijen; coïteren; cohabiteren; naar bed gaan; kroelen; krollen; uitwonen; [euf.] slapen; [euf.] de daad verrichten; bedrijven; [euf.;scherts.] voetjes warmen (met); [euf.] trouwen; [euf.;veroud.] naderen; [pregn.] aanraken; [pregn.] aanliggen; [form.] coïre; [form.] zonam solvere; [form.] samenkomen; [bijb.] bekennen; [bijb.;♂] (in)komen tot; [w.g.] bijslapen; [w.g.] bijwonen; [veroud.] zich te vleze begeven; [veroud.] elkaar gerieven; [arch.] (zich) verenigen; [arch.] zich vleselijk vermengen; [inform.] neuken; [inform.] rampetampen; [inform.] bonken; [inform.] vozen; [inform.] pezen; [inform.] platgaan; [inform.;♂] punten; [inform.;♂] rammen; [inform.] pielen; [inform.] afschroeven; [inform.] krikken; [inform.] wielen; [inform.] strijken; [inform.;Ind.N.] fieken; [inform.] doppen; [inform.] een dopje; doppie maken; [inform.] de koffer in duiken; kruipen; [inform.] voor Kaap Kont liggen; [inform.] een kind maken; [inform.] binnenbeens spelen; [inform.] een kransje breien; [inform.] de hongersnood verdrijven; [inform.;Belg.N.] het beest met de twee ruggen maken; [inform.;scherts.] het plafond witten; [inform.;scherts.;niet alg.] de koffie opschenken; [volkst.] een kunstje; wip(je); wippertje; nummertje maken; [volkst.;♂] een punt zetten; [volkst.;♂] op de veter nemen; [volkst.] wippen; [volkst.] van Wippenstein gaan; [volkst.] nummeren; [volkst.] pompen; [volkst.] schroeven; [volkst.] palen; [volkst.] palen laaien; [volkst.] potloden; [volkst.] tampen; [volkst.;♂] z'n platte tampie uitgooien; [volkst.] pennen; [volkst.] prikken; [volkst.] stiften; [volkst.] hompiekurken; [volkst.] sodemieteren; [volkst.] raggen; [volkst.] afraggen; [volkst.] kezen; [volkst.] kienen; [volkst.] jenzen; [volkst.] votsen; [volkst.] joekelen; joekeren; [volkst.] dreutelen; [volkst.] flensen; [volkst.] fleppen; [volkst.] piepjanknor gaan; [volkst.] de pijp uitkloppen; [gew.;inform.] strietsen; [gew.;inform.] vossen; [gew.;inform.] ketsen; [gew.;inform.;♂] vogelen; [gew.;inform.;♂] bedvogelen; [gew.;volkst.] kleunen; [gew.] meteen gaan; [gew.] vazelen; [gew.] haspelen; [vulg.] naaien; [vulg.;Belg.N.] poepen; [vulg.] emmeren; [vulg.] geilpompen; [vulg.] soppen; [vulg.] poken; [vulg.] kieren; [vulg.] afhakken; [vulg.] eiers in de pan slaan; [vulg.] op de muts; dot; stoffer; schroef gaan; [vulg.] van preut trekken; [vulg.;♂] een veeg geven; [vulg.;♂] vegen; [vulg.;♂] eroverheen gaan; [vulg.;♂] op z'n staart gaan staan; [Barg.] van bil gaan; [Barg.] op de kruk gaan; [Barg.] stoten; [Barg.] fikken; [Barg.] fietsen; [Barg.] piepelen; [Barg.] bibberen; [Barg.] latten; [Barg.] fluiten; [Barg.;volkst.] peunen; [Barg.;volkst.] pandoeren; [Barg.;volkst.] tokkelen
成就する joujusuru (1) werkelijkheid worden; verwezenlijkt worden; uitkomen; slagen; (2) tot een goed einde brengen; tot stand brengen; vervullen; verwezenlijken; realiseren; volbrengen; voltooien; volvoeren; uitvoeren; ten uitvoer brengen; voor elkaar krijgen; [目的を] bereiken
服す fukusu (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
服する fukusuru (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
果たす hatasu (1) doen; uitvoeren; ondernemen; verrichten; ten uitvoer brengen; leggen; bewerkstelligen; (2) vervullen; volbrengen; voltooien; volvoeren; voldoen; zich kwijten van; tot stand brengen; bereiken; verwezenlijken; realiseren; tot een goed einde brengen; waar maken; voor elkaar krijgen; (3) een dankbedevaart ondernemen; (4) afmaken; doden; (5) geheel ten einde toe + ww.Gevoegd achter de ren'yōkei van een dōshi.
染み渡る shimiwataru doordringen; doortrekken; doorzijgen; vervullen
添う;副う sou (1) begeleiden; vergezellen; meegaan; [w.g.] accompagneren; (2) zich schikken naar; zich voegen naar; gehoorzamen; voldoen aan; gehoor geven aan; vervullen; bevredigen; beantwoorden aan; handelen overeenkomstig ~; tegemoet komen aan; waarmaken; tevredenstellen; (3) huwen; trouwen; in de echt treden; gaan; in het huwelijk treden; een echtpaar; koppel worden
満たす mitasu (1) vullen; opvullen; vol maken; (2) verzadigen; bevredigen; voldoen; tevredenstellen; beantwoorden aan; vervullen
該当する gaitousuru vallen onder; beantwoorden aan; betreffen; gelden; slaan op; stroken met; vervullen; van toepassing zijn; toepasbaar; toepasselijk zijn op; adequaat zijn voor
足す tasu (1) optellen; een optelling maken; (2) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (3) aanvullen; volledig maken; [form.] suppleren; [m.b.t. tekort] bijleggen; (4) zich kwijten van; doen; verrichten; uitvoeren; vervullen; volbrengen
遂げる togeru volbrengen; uitvoeren; tot stand brengen; tot een goed einde brengen; voltooien; volvoeren; vervullen; realiseren; verwezenlijken; [目的を] bereiken; [進歩を] boeken; [死を] vinden
遂行する suikousuru vervullen; uitvoeren; verrichten; voltrekken; doorvoeren; ten uitvoer brengen; ten uitvoer leggen; uitoefenen; verwezenlijken; implementeren; volbrengen; volvoeren; betrachten; zich kwijten van; [目的を] bereiken
達成する tasseisuru bereiken; vervullen; waarmaken; realiseren; halen
遣り通す yaritoosu (1) ten einde toe uitvoeren; doorvoeren; volbrengen; voleindigen; voltooien; volvoeren; ten uitvoer brengen; vervullen; tot een goed einde brengen; klaarspelen; z'n beslag geven; (2) volhouden; aanhouden; persisteren
遣り遂げる yaritogeru volbrengen; volvoeren; vervullen; klaarspelen; [うまく~] er goed afkomen; tot een goed einde brengen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.17 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'vervullen'). 
2005-2026