RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <voorbijgaan>
去る saru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot;echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen;tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
明け暮れる akekureru (1) [日が] verstrijken; voorbijgaan; (2) [勉強に] zich dag en nacht wijden aan; dag in dag uit bezig zijn met; al zijn tijd besteden aan
流れる nagareru (1) stromen; vloeien; lopen; [form.] vlieten; biggelen [van tranen]; (2) wegspoelen; (door het water) meegevoerd worden; meedrijven; vlotten; (3) voorbijstromen; voorbijtrekken [b.v. van wolken]; kruien; overgaan; (4) circuleren [b.v. van praatjes]; rondgaan; (5) verstrijken [m.n. van tijd]; voorbijgaan; verglijden; verlopen; omgaan; [form.] vlieden; [form.] vervlieden; (6) zwalken; zwerven; dwalen; dolen; afdwalen; afwijken (van de juiste richting enz.); zich verlopen [in de wijn enz.]; zich [aan een ondeugd enz.] overleveren; [de verkeerde richting] uitgaan; (7) vervallen [m.n. van pandgoed]; verlopen; verbeurdverklaard worden; (8) [fig.] in het water vallen; afgelast worden; afgeblazen worden; niet doorgaan; (9) [van onvoldragen vrucht] ontijdig geboren worden; afdrijven
消える kieru (1) [火が] uitgaan; doven; uitdoven; uitpieteren; verglimmen; [lit.t.] verblinken; [veroud.] uitblaken; [w.g.] verdoven; (2) [雪が] smelten; wegsmelten; dooien; (3) verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; [fig.] in rook; damp opgaan; [fig.] verdampen; zich oplossen; vervagen; verijlen; [雲が] wegdrijven; [痛みが] wijken; geleidelijk minder worden; minderen; slijten; [望みが] vervliegen; [音が] wegsterven; versterven; [veroud.] verklinken; [gew.] verhelmen; [泡が] uiteenspatten; (4) uitsterven; ophouden te bestaan; [噂が] overwaaien; voorbijgaan; [鉱脈が] uitgeput raken; (5) wegslijten; afslijten; uitslijten
移る utsuru (1) verhuizen; (2) veranderen; (3) [時が〜] voorbijgaan; passeren; (4) overgaan in; verworden tot; vergaan; (5) [病気が〜] overgaan op; aantasten; aansteken; (6) vervalen; valer worden; verschieten; verbleken
経つ tatsu voorbijgaan; verstrijken; verlopen; [form.] vlieden; [form.] vervlieden
経る heru (1) voorbijgaan; verstrijken; (2) passeren; gaan via; door; lopen door; rijden door; (3) beleven; meemaken; ervaren; ondergaan; ondervinden; doormaken; doorstaan; verbrengen
経過する keikasuru voorbijgaan; verstrijken; verlopen
経 kei (1) juiste weg; pad van de waarheid; (2) geschrift van een wijze; heiligengeschrift; schriftuur; (3) [text.] schering; (4) noord-zuidrichting; meridiaan; (a) [text.] schering; lengterichting; noord-zuidrichting; (b) [Chin.geneesk.] meridiaan; (c) passeren; voorbijgaan; (d) besturen; runnen; (e) ophangen; (f) onveranderlijkheid; permanentie; (g) [conf.] klassieker; (h) menstruatie
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
超越する chōetsusuru (1) overstijgen; te boven gaan; transcenderen; uitreiken boven; staan boven; verheven zijn boven; aan zich vreend achten; (2) overspringen; voorbijgaan
追い越す;追越す oikosu (1) inhalen; voorbijgaan; passeren; inhalend voorbijrijden; voorbijlopen; achterhalen; (2) overtreffen; overvleugelen; overstijgen; voorbijstreven; te boven gaan; in de schaduw stellen; achter zich laten; vliegen afvangen; de loef afsteken
通り過ぎる tōrisugiru passeren; voorbijgaan; voorbijlopen; voorbijtrekken; langsgaan; langskomen; langslopen; langstrekken; overtrekken; overgaan; afdrijven
通る;徹る;透る tōru (1) passeren; erdoorheen geraken; erdoor raken; erdoor(heen) komen; erdoor(heen) gaan; erdoor(heen) dringen; doorbreken; doordringen; doorgaan; doorkomen; doortrekken; doorsteken; doorlopen; lopen over; [lit.t.] doorvaren; penetreren; [m.b.t. stem] dragen; [m.b.t. schoorsteen] trekken; (2) passeren; gaan via; voorbijtrekken; langskomen; langsgaan; langslopen; langstrekken; voorbijgaan; voorbijkomen; voorbijlopen; voorbijstromen; circuleren; (3) doorgaan voor; passeren voor; gangbaar zijn; bekend staan (als; onder de naam van enz.); gelden als; (4) door de beugel kunnen; slagen; [m.b.t. wetsvoorstel] aangenomen worden; aanvaard worden; aanvaardbaar zijn; steek houden
通行する tsūkōsuru passeren; erdoor komen; erdoor gaan; erdoorheen geraken; voorbijgaan; voorbijrijden; trekken door; gaan over; trekken over
通過する tsūkasuru (1) passeren; erdoor komen; erdoor gaan; erdoorheen geraken; voorbijgaan; voorbijrijden; trekken door; gaan over; trekken over; (2) slagen (voor); [door de douane enz.] gaan; passeren; (3) goedgekeurd worden; aangenomen worden
過ぎる sugiru (1) voorbijgaan; passeren; voorbijtrekken; voorbijkomen; voorbijlopen; achter zich laten; (2) verstrijken; voorbijgaan; verlopen; [form.] vlieden; [i.h.b.] aflopen; [i.h.b.] expireren; [i.h.b.] vervallen; (3) te boven gaan; overschrijden; overgaan; te buiten gaan; te ver gaan; meer zijn dan; (4) (zich) over-; te (veel …); overdreven … zijn [voegt de nuance van onmatigheid;overdadigheid toe]
過ぎ去る sugisaru (1) voorbijgaan; voorbijlopen; passeren; (2) verstrijken; omgaan; omlopen; aflopen; (3) heengaan; sterven; overlijden; omkomen; [arch.] verscheiden
過 ka (1) over-; hyper-; (2) [chem.] per-; (a) passeren; voorbijgaan; (b) verstrijken; omgaan; (c) gedogen; laten passeren; (d) overschrijden; te buiten gaan; (e) zich vergissen; vergissing