17 resultaten voor ‘tsuku’
日蘭辭典 (titelwoord)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <tsuku>
付く;附く tsuku (1) plakken; (eraan) (vast)zitten; (eraan) (vast)hangen; steken (op); kleven (aan); aansluiten op; zich vastzetten (in; aan); [湯垢が] aanslaan; blijven; [m.b.t. sporen;litteken] achterblijven; erbij inbegrepen zijn; uitgerust zijn met; (2) volgen; vergezellen; achterna zitten; gaan; aan zijn zijde staan hebben; escorteren; [i.h.b.] partij kiezen; trekken voor; aan de zijde gaan staan van; (3) [m.b.t. vermogen;gewoonte;naam;idee enz.] krijgen; [energie;kennis;ervaring enz.] opdoen; verwerven; eigen worden; te beurt vallen; [癖が] een gewoonte aannemen; aankweken; ontwikkelen; zich een gewoonte aanwennen; [喫煙の癖が] zich het roken aanwennen; (4) geluk hebben; fortuinlijk zijn; het treffen; [het iem.] meezitten; goed gaan; boffen; mazzelen; [inform.] zwijnen; [inform.] sloffen; (5) zijn beslag vinden; uitgemaakt raken; in orde raken; geregeld raken; [m.b.t. contact;connectie] tot stand komen; [m.b.t. wegen;infrastructuur] aangelegd worden; (6) [m.b.t. prijskaartje] hangen aan; [goedkoper;duurder enz.] uitvallen; neerkomen op [x euro enz.]
即く tsuku [王位;帝位に~] de troon bestijgen; beklimmen
吐く tsuku (1) [へどを] braken; overgeven; kotsen; (2) slaken; [ため息を] zuchten; (3) [息を] ademen; ademhalen; (4) [悪態を] uitslaan; uitkramen
就く tsuku (1) [werk enz.] vinden; [een functie;ambt;leeropdracht enz.] aanvaarden; [aan het bewind;op de troon enz.] komen; [de troon] bestijgen; beklimmen; [in een nieuwe baan enz.] beginnen; [bij het leger enz.] dienst nemen; [aan het werk enz.] tijgen; (2) [m.b.t. reis] aanvaarden; aanvangen; [in slaap] vallen; [m.b.t. de wacht] betrekken; [in de verdediging enz.] gaan; (3) les; college lopen (bij); studeren (bij); [de weg van de minste weerstand enz.] volgen
憑く tsuku [心霊;魔物が] bezit nemen van; invaren; zich manifesteren; doorkomen
点く tsuku (1) [m.b.t. licht;vuur;lucifer] aangaan; gaan branden; ontbranden; [i.c.m. 火が] vuur; vlam vatten; ontvlammen; in brand raken; (2) aangaan; in werking treden
着く tsuku (1) arriveren; aankomen (in); [zijn bestemming enz.] bereiken; [scheepv.] binnenlopen; aanlanden; [m.b.t. trein] binnenkomen; (2) [席に] plaatsnemen; (op z'n plaats) gaan zitten; z'n plaats innemen; (3) [食卓に] zich aan tafel zetten; aanschikken; aan tafel gaan; aan de tafel gaan zitten; [Belg.N.] z'n benen onder tafel steken; (4) raken; aanraken; komen tegen
突く;衝く;撞く tsuku (1) steken; prikken; priemen; spietsen; (2) porren; poken; stompen; aanstoten; duwen; [inform.] douwen; stoten; rammen; [m.b.t. hoornvee] nijten; een stoot; por; zet; tik; klopje geven; [m.b.t. zegel] drukken; [m.b.t. bal] tikken; [m.b.t. biljartbal] stoten; [een pluimpje;klok enz.] slaan; [i.c.m. 溜め息を] slaken; [i.c.m. 溜め息を] lozen; (3) zetten; plaatsen; planten; [krukken enz.] gebruiken; [op de knieën] vallen [m.b.t. dunne;langwerpige voorwerpen die als steun geplaatst worden]; (4) aanvallen; belagen; [de geringste redeneerfout enz.] aangrijpen; [iets in zijn achilleshiel enz.] treffen; [iem. in zijn zwak enz.] tasten; [op de kern van de zaak enz.] slaan; (5) [alle weer;de elementen enz.] trotseren; het hoofd bieden; braveren; tarten; (6) [de neus enz.] prikkelen; [m.b.t. stank enz.: in de neus] slaan; snerpen (in); [door de ziel enz.] snijden; [iem. in zijn hart enz.] raken; treffen; diep schokken
Tijd: 0.96 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 8 treffers (zoekopdracht: 'tsuku').
2005-2026